ECLI:NL:CRVB:2014:2142
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum en norm bijstand IOAW na WW-uitkering
Appellant heeft zich op 29 september 2011 gemeld voor een IOAW-uitkering met ingang van 9 september 2011, de dag waarop zijn WW-uitkering eindigde. Het college verleende bijstand vanaf 29 september 2011 tot 9 oktober 2011, maar wees eerdere uitkering af wegens ontbreken van bijzondere omstandigheden.
Appellant stelde dat het college zijn aanvraag voor een doelgroepverklaring niet voortvarend behandelde, waardoor hij te laat een uitkering aanvroeg. De Raad oordeelde dat dit geen bijzondere omstandigheden zijn en dat appellant zelf verantwoordelijk is voor de late melding.
Verder betoogde appellant dat hij recht had op bijstand als alleenstaande ouder vanwege zijn twee kinderen, maar deze verbleven gedurende de relevante periode bij hun moeder in het buitenland. De Raad bevestigde dat appellant als alleenstaande moet worden beschouwd omdat hij geen feitelijke zorg voor de kinderen had.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, wees het verzoek tot schadevergoeding af en kende geen proceskosten toe.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard; uitkering ingaat op datum melding en appellant niet als alleenstaande ouder aangemerkt.