ECLI:NL:CRVB:2014:2140
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens onjuiste informatie over werkzaamheden en inkomsten
Appellante ontving sinds 2000 bijstand op grond van de WWB. Naar aanleiding van een anonieme melding dat zij vijf dagen per week werkte bij een naaiatelier, voerde het college een onderzoek uit. Dit leidde tot de conclusie dat appellante onjuiste informatie had verstrekt over de omvang van haar werkzaamheden en inkomsten, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
Het college trok de bijstand in over de periode van 1 maart 2009 tot en met 30 september 2011 en vorderde €46.362,23 terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat zij niet aannemelijk had gemaakt dat zij niet in staat was om te werken en dat zij vaker aanwezig was bij het naaiatelier dan opgegeven.
In hoger beroep stelde appellante dat het ontbreken van een administratie niet volledig voor haar risico mocht komen en dat het college terughoudend moest zijn bij terugvordering. De Raad oordeelde dat de wet en vaste rechtspraak geen ruimte bieden voor terughoudendheid bij schending van de inlichtingenverplichting en dat het aan appellante was om aannemelijk te maken welke werkzaamheden en inkomsten zij had.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het college bevoegd was tot intrekking en terugvordering over de gehele periode en wees de gronden van appellante af. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.