ECLI:NL:CRVB:2014:2007

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 juni 2014
Publicatiedatum
13 juni 2014
Zaaknummer
12-6674 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogenBesluit dagloonregels werknemersverzekeringen
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op WIA-uitkering wegens niet-structurele vakantiedagenbetaling

Appellant was werkzaam bij twee werkgevers en viel uit wegens psychische klachten. Het UWV stelde vast dat appellant geen recht had op een WIA-uitkering vanaf 5 januari 2012, omdat het maatmaninkomen correct was vastgesteld zonder de betaling van niet-genoten vakantiedagen mee te rekenen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat niet was aangetoond dat de betaling van niet-genoten vakantiedagen een structureel loonelement vormde. Appellant voerde in hoger beroep aan dat deze betaling ten onrechte buiten beschouwing was gelaten en dat het maatmaninkomen op dezelfde wijze als het dagloon moest worden vastgesteld.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het UWV terecht de betaling van niet-genoten vakantiedagen niet heeft meegerekend. Tevens werd geoordeeld dat maatmaninkomen en dagloon verschillende begrippen zijn met verschillende wettelijke grondslagen en doelen, waardoor eenzelfde berekeningswijze niet vereist is.

Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het UWV heeft terecht de betaling van niet-genoten vakantiedagen buiten beschouwing gelaten bij de vaststelling van het maatmaninkomen.

Uitspraak

12/6674 WIA
Datum uitspraak: 13 juni 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van
9 november 2012, 12/635 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.A. Ipenburg hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2014. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

OVERWEGINGEN

1.
Appellant was werkzaam als [naam functie] bij [naam werkgever] Per 1 oktober 2009 is hij als [naam functie] bij [werkgever B.] gaan werken. Op 20 november 2009 is hij vanwege psychische klachten uitgevallen. Op basis van een verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige beoordeling heeft het Uwv appellant bij besluit van 29 december 2011 medegedeeld dat voor hem met ingang van 5 januari 2012 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij beslissing op bezwaar van 16 april 2012 (bestreden besluit) is het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de beroepsgrond dat het Uwv bij de vaststelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage het maatmaninkomen onjuist heeft berekend faalt, omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de uitbetaling ter zake van niet genoten vakantiedagen structureel onderdeel uitmaakt van zijn loon. Ook de beroepsgrond dat het Uwv bij de vaststelling van het maatmaninkomen ten onrechte afwijkt van zijn standpunt in de procedure over de uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) slaagt niet.
3.
In hoger beroep heeft appellant herhaald zijn stelling dat het bedrag aan uitbetaling van niet genoten vakantiedagen ten onrechte niet is meegenomen bij de vaststelling van het maatmaninkomen. Verder dient de vaststelling van het maatmaninkomen in het kader van de Wet WIA op eenzelfde wijze plaats te vinden als de vaststelling van het dagloon in het kader van de WW, nu beide regelingen uitgaan van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Partijen zijn uitsluitend verdeeld over de vraag of bij de vaststelling van het maatmaninkomen van appellant het bedrag van € 3.880,56 bruto aan niet-genoten vakantiedagen, uitbetaald in september 2009 door Jan Verschoor BV, terecht niet is meegenomen.
4.2.
Onderschreven wordt het oordeel van de rechtbank dat het Uwv terecht de betaling van niet-genoten vakantiedagen buiten beschouwing heeft gelaten bij de vaststelling van het maatmaninkomen. Ook in hoger beroep heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat in dit verband voorafgaand een het intreden van de arbeidsongeschiktheid sprake was van een structureel genoten loonelement. Voorts wordt geoordeeld dat de begrippen maatmaninkomen en dagloon van elkaar verschillen; het gebruik ervan is gebaseerd op verschillende wettelijke bepalingen en zij dienen ook niet dezelfde doelen. Dit betekent dat het Uwv bij de vaststelling van het maatmaninkomen terecht niet heeft aangesloten bij de berekeningswijze van het dagloon.
4.3.
Gelet op hetgeen in 4.1 en 4.2 is overwogen, slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
5.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2014.
(getekend) M.M. van der Kade
(getekend) M.P. Ketting
JvC