ECLI:NL:CRVB:2014:1983
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.J.A. Kooijman
- C.H. Bangma
- Rechtspraak.nl
Tijdelijk dienstverband promovendus terecht niet verlengd na proeftijd
Appellante was als promovendus tijdelijk aangesteld bij de Faculteit van een universiteit met de verwachting dat bij goed functioneren de aanstelling zou worden voortgezet. Tijdens haar aanstelling bleek uit gesprekken en rapportages dat haar functioneren, met name vanaf mei 2010, teleurstellend was. Na een beoordeling en gesprekken met haar promotor, die ook de werkrelatie als verstoord beschouwde, besloot het college het tijdelijke dienstverband niet te verlengen.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, waarop het college het bezwaar gegrond verklaarde en het besluit herzag, maar alsnog besloot de aanstelling niet te verlengen en een compensatie toe te kennen van zes maanden salaris wegens het niet bieden van een verbeterkans. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellante ging in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat de toetsing van het besluit terughoudend is en zich beperkt tot de vraag of het college in redelijkheid tot het oordeel kon komen dat appellante niet voldeed aan de redelijke eisen. Gezien de verstoorde relatie en onvoldoende functioneren was dit het geval. Het college had het besluit met gewijzigde motivering gehandhaafd en de compensatie was passend. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het tijdelijke dienstverband van appellante is terecht niet verlengd na de proeftijd vanwege onvoldoende functioneren en verstoorde werkrelatie.