ECLI:NL:CRVB:2014:1946
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens bezit onroerend goed in het buitenland
Appellanten ontvingen vanaf 2008 tot 2011 aanvullend bijstand volgens de WWB. Het college stelde een onderzoek in naar de rechtmatigheid van deze bijstand vanwege aanwijzingen van onrechtmatigheid, waaronder het bezit van een onroerende zaak in Servië ter waarde van €150.000. Appellanten hadden dit niet gemeld, waardoor het college de bijstand introk en terugvorderde.
Appellanten voerden aan dat zij de onroerende zaak in 2006 hadden verkocht en feitelijk geen beschikking meer hadden over het goed, mede omdat de koper niet betaalde en de zaak juridisch niet was overgedragen. De Raad oordeelde dat ondanks de feitelijke situatie appellanten juridisch eigenaar bleven en over het goed konden beschikken, wat het recht op bijstand uitsloot.
De procedure bij de rechtbank in Niš had tot doel betaling te verkrijgen of de koopovereenkomst te ontbinden, maar veranderde niets aan het juridische eigendom. Het feit dat appellanten het beheer niet voerden en de zaak later alsnog verkochten, bevestigde hun beschikkingsmacht.
De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.