ECLI:NL:CRVB:2014:1878
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WAO-uitkering wegens ontbrekende toegenomen arbeidsongeschiktheid door dezelfde ziekteoorzaak
Appellante ontving sinds 1996 een WAO-uitkering wegens bipolaire stoornis en schildklierproblemen, met een intrekking van de uitkering in 2003 vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. In 2006 en 2011 meldde zij toegenomen arbeidsongeschiktheid, waarop het UWV geen uitkering toekende omdat volgens hen geen sprake was van toegenomen beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de medische rapporten van verzekeringsartsen juist waren en dat er geen toegenomen beperkingen bestonden. In hoger beroep stelt appellante dat er wel degelijk sprake is van toegenomen beperkingen vanaf mei 2004, onder meer door een chronische schildklierontsteking en een bipolaire stoornis die verergerde.
De Raad overweegt dat het UWV ten onrechte niet heeft onderzocht of er sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid door de schildklierproblematiek en psychische klachten na de intrekking van de uitkering. De medische gegevens tonen aan dat de schildklierontsteking chronisch was en dat er mogelijk een verband bestaat tussen lithiumgebruik en schildklierproblemen.
Daarom is het bestreden besluit niet gebaseerd op een deugdelijke medische grondslag. De Raad draagt het UWV op binnen zes weken het gebrek te herstellen of een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van de overwegingen van de Raad.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit te herzien wegens onvoldoende onderzoek naar toegenomen arbeidsongeschiktheid.