ECLI:NL:CRVB:2014:1875
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toepassing studerende-regime Wajong-inkomensondersteuning
Appellante, geboren in 1993, ontving vanaf 1 juli 2011 inkomensondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong). Het UWV kende deze ondersteuning toe volgens het studerende-regime, wat appellante betwistte omdat zij meent dat zij slechts dagbesteding verricht en geen studie volgt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht het regime voor schoolgaande en studerende jonggehandicapten toepaste. De rechtbank verwees naar de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) en de Wet Wajong, die appellante kwalificeerden als studerende, waardoor haar inkomensondersteuning werd vastgesteld op 25% van de grondslag.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt dat sprake is van dagbesteding en geen studie, maar de Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat de wettelijke bepalingen geen ruimte bieden voor een individuele beoordeling van het al dan niet volgen van scholing. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 4 juni 2014.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het studerende-regime bij de Wajong-inkomensondersteuning bevestigd.