ECLI:NL:CRVB:2014:1727
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen herziening AOW-pensioen wegens samenwoning met twee broers
Betrokkene, geboren in 1941, woont sinds 1998 samen met twee broers. In 2006 vroeg hij een AOW-pensioen aan en gaf aan samen te wonen met één broer. De Sociale verzekeringsbank (Svb) kende hem daarop het maximale pensioen voor gehuwden toe. In 2011 meldde betrokkene dat hij samenwoonde met twee broers, waarna de Svb het pensioen herzag naar het alleenstaande tarief vanaf 2010 en een waarschuwing gaf wegens te late melding.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het bezwaar van betrokkene gegrond en oordeelde dat de Svb had moeten afwijken van het beleid en het pensioen met terugwerkende kracht vanaf 2006 had moeten aanpassen. De Svb ging in hoger beroep en stelde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een langere terugwerkende kracht rechtvaardigden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de samenwoning met twee broers geen nieuw feit is en al bij de aanvraag bekend had kunnen zijn. De Svb heeft gehandeld volgens haar beleid en er is geen sprake van een fout van de Svb of bijzondere omstandigheden die een langere terugwerkende kracht rechtvaardigen. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Sociale verzekeringsbank wordt gegrond verklaard en het beroep tegen het herzieningsbesluit ongegrond verklaard.