ECLI:NL:CRVB:2014:1705

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 mei 2014
Publicatiedatum
20 mei 2014
Zaaknummer
13-5196 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 WWBArt. 17 WWB
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening bijstandsuitkering wegens niet-nakoming inlichtingenverplichting kasstortingen

Appellant ontving sinds 2008 bijstand op grond van de WWB. Het college constateerde via bankafschriften meerdere kasstortingen en startte een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. Op basis van dit onderzoek werd de bijstand over de periode mei 2008 tot juni 2010 herzien en een bedrag van €11.036,94 teruggevorderd, omdat appellant zijn inlichtingenverplichting niet had nagekomen door de kasstortingen niet te melden.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat een deel van de kasstortingen was verklaard en dat hij geld had geleend en terugbetaald, waardoor de kasstortingen niet als inkomen zouden moeten worden beschouwd. Ook stelde hij dat de kasstortingen betrekking hadden op overheveling van eigen middelen. De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de kasstortingen afkomstig waren van middelen waarover hij al beschikte. De verklaringen waren wisselend en de bankafschriften toonden girale overschrijvingen die de contante stortingen tegenspraken.

De Raad concludeerde dat het college de kasstortingen terecht als inkomen had aangemerkt en de herziening en terugvordering terecht waren. De eerdere uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de kasstortingen terecht als inkomen zijn aangemerkt en de herziening van de bijstand gerechtvaardigd is.

Uitspraak

13/5196 WWB
Datum uitspraak: 20 mei 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
17 september 2013, 13/799 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 8 april 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk. Het college heeft zich met bericht niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving sinds 16 mei 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Nadat de consulent van appellant op bankafschriften vele kasstortingen constateerde, heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft het college appellant om inlichtingen verzocht. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport rechtmatigheidsonderzoek WWB van 14 september 2010. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om, voor zover hier van belang, bij besluit van 14 september 2010 de bijstand over de periode van 16 mei 2008 tot 1 juni 2010 te herzien en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 11.036,94 van appellant terug te vorderen.
1.3.
Bij besluit van 8 januari 2013 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, het tegen het besluit van 14 september 2010 gerichte bezwaar ongegrond verklaard. De besluitvorming berust op de overweging dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de kasstortingen. Het college heeft de kasstortingen aangemerkt als inkomen en deze op de bijstand in mindering gebracht in de maanden dat ze plaatsvonden.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellant betwist in hoger beroep dat het college de kasstortingen terecht als inkomen in aanmerking heeft genomen. Hij voert daartoe in de eerste plaats aan dat uit het Aanmeldingsformulier fraudepreventieonderzoek WWB (aanmeldingsformulier) blijkt dat van de stortingen tot een bedrag van € 3.830,- is verklaard. Dit bedrag kan volgens appellant niet meer aan de herziening ten grondslag worden gelegd.
4.2.
Deze grond slaagt niet. Uit het aanmeldingsformulier blijkt dat appellant, nadat hij met de kasstortingen was geconfronteerd, heeft verklaard dat hij van de Belastingdienst ontvangen gelden thuis contant heeft bewaard, van meerdere personen geld heeft geleend en goud heeft verkocht aan particulieren. Daarmee is, zo staat in het aanmeldingsformulier, een bedrag van € 3.830,- verklaard. Uit het aanmeldingsformulier kan niet worden afgeleid dat het college het standpunt heeft ingenomen dat dit bedrag, gelet op de door appellant gegeven verklaring, niet als inkomen in aanmerking zou worden genomen bij de beoordeling van het recht op bijstand. Bovendien heeft de gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad bevestigd dat het college appellant geen mededeling in die zin heeft gedaan. Dit betekent dat appellant er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat dit bedrag bij de beoordeling van het recht op bijstand buiten beschouwing zou worden gelaten.
4.3.
Appellant voert voorts aan dat hij door middel van schuldbekentenissen aannemelijk heeft gemaakt dat hij geld heeft geleend en dat hij dit daadwerkelijk terugbetaalde. Ook deze grond slaagt niet. De omstandigheid dat appellant geldleningen is aangegaan waaraan een concrete terugbetalingsverplichting is verbonden, kan niet leiden tot het oordeel dat het college de kasstortingen ten onrechte als inkomen in aanmerking heeft genomen. De herkomst van de kasstortingen is immers niet duidelijk. Om die reden kan niet worden vastgesteld of de kasstortingen afkomstig zijn van leningen. Dat wordt niet anders voor zover de gemachtigde van appellant ter zitting heeft aangevoerd dat het college, ondanks dat de herkomst van de kasstortingen niet duidelijk is, de herziening en de terugvordering misschien anders zou hebben beoordeeld als aannemelijk zou zijn geworden dat aan de leningen een concrete terugbetalingsverplichting is verbonden. De stukken bieden geen aanknopingspunt voor dit standpunt.
4.4.
Appellant voert tot slot aan dat aannemelijk is dat de kasstortingen betrekking hebben op de overheveling van gelden van de ene naar de andere rekening. De bankafschriften tonen opnames, die later gevolgd worden door kasstortingen. Deze kasstortingen betreffen veelal een lager bedrag dan de eerdere opnames. Daarmee is aannemelijk dat de kasstortingen betrekking hebben op middelen waarover appellant al de beschikking had.
4.5.
Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de kasstortingen betrekking hebben op middelen waarover hij al de beschikking had. Daartoe is van belang dat de herkomst van de kasstortingen niet aannemelijk is gemaakt. Zo vonden de opnames en de kasstortingen op verschillende dagen plaats en ging het daarbij steeds om verschillende bedragen. Daar komt bij dat appellant in de loop van de procedure wisselende verklaringen heeft gegeven over de kasstortingen. Ten tijde van het onderzoek heeft hij verklaard dat de gestorte bedragen afkomstig waren van de verkoop van goud, van leningen en van gespaarde gelden. Tijdens de hoorzitting heeft hij verklaard dat de opnames en stortingen dienden om de roodstand van de betreffende rekening op te heffen en ter zitting van de rechtbank heeft hij verklaard dat de bedragen werden gestort als er betalingen van de betreffende rekening gedaan moesten worden. Dit gebeurde allemaal contant, omdat appellant gewoon was dat zo te doen en hij niet goed bekend was met de mogelijkheid van giraal overschrijven. De bankafschriften tonen echter diverse girale overschrijvingen, hetgeen de verklaring van appellant op dit punt ontkracht. Omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kasstortingen afkomstig zijn van een eigen bankrekening en de herkomst van de kasstortingen daarmee onbekend is gebleven, heeft het college de periodieke stortingen terecht als inkomen in aanmerking genomen.
4.6.
Gelet op wat in 4.2, 4.3 en 4.5 is overwogen, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2014.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) S.K. Dekker

HD