ECLI:NL:CRVB:2014:1701
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens overschrijding verblijfstermijn in het buitenland
Appellant en zijn partner ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant meldde een vakantieperiode van 9 juli tot en met 19 augustus 2012 in het buitenland. Het college beëindigde de bijstand per 7 augustus 2012 omdat zij langer dan de toegestane vier weken buiten Nederland verbleven.
Appellant maakte bezwaar tegen deze beëindiging, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit tot beëindiging ongegrond en het beroep tegen het besluit over vakantietoeslag niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang.
In hoger beroep stond centraal of het college terecht de bijstand had beëindigd. De Raad oordeelde dat appellant redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de consequenties van een verblijf langer dan vier weken in het buitenland. Er was geen sprake van een onvoorwaardelijke toezegging die een gerechtvaardigde verwachting schepte dat de bijstand niet zou worden beëindigd. Het beroep op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel faalde.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De bijstandsuitkering is terecht beëindigd wegens verblijf langer dan vier weken buiten Nederland; het beroep op vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel faalt.