ECLI:NL:CRVB:2014:1696
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- L.J.A. Damen
- Rechtspraak.nl
Herziening AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding met terugwerkende kracht
Appellant ontving sinds mei 2001 een AOW-pensioen volgens de norm van een ongehuwde. Na een onderzoek in december 2010 stelde de Sociale verzekeringsbank (Svb) vast dat appellant sinds mei 2002 een gezamenlijke huishouding voert met zijn partner. Op grond hiervan herzag de Svb het pensioen per juni 2002 naar de gehuwdennorm en kende een toeslag toe voor de partner.
Appellant maakte bezwaar tegen deze herziening en voerde aan dat de Svb al in 2002 op de hoogte had moeten zijn van zijn leefsituatie, onder meer door een document bij de aanvraag van een verblijfsvergunning van zijn partner en een mededeling van een oud-medewerkster. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en ook in hoger beroep werd dit standpunt bevestigd.
De Raad overwoog dat appellant de wijziging in zijn leefsituatie niet tijdig had gemeld, daarmee de informatieplicht schond en dat het voor hem redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat hij te veel pensioen ontving. Het beleid van de Svb om niet met volledige terugwerkende kracht te herzien indien de betrokkene zijn verplichtingen was nagekomen, werd als buitenwettelijk begunstigend beleid terughoudend getoetst en consistent toegepast. De Raad vond geen bijzondere omstandigheden die afzien van herziening met terugwerkende kracht rechtvaardigden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Almelo, en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De herziening van het AOW-pensioen met terugwerkende kracht vanaf juni 2002 wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.