ECLI:NL:CRVB:2014:1629
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.A.A.G. Vermeulen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit UWV over WIA-vervolguitkering gerelateerd aan minimumloon
Appellant, een Duitse werknemer die sinds 1998 in Nederland werkte, vroeg een hogere WIA-uitkering aan wegens toegenomen medische beperkingen. Na medisch en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV de uitkering per 1 oktober 2011 stop, maar verklaarde later het bezwaar gegrond en kende een vervolguitkering toe gebaseerd op een aangescherpte functionele mogelijkhedenlijst (FML) en passende functies.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde met het argument dat zijn medische beperkingen opnieuw waren onderschat. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er geen reden was om de FML van 6 januari 2012 te verwerpen en dat het UWV toereikend had gemotiveerd dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren.
Verder bevestigde de Raad dat het Nederlandse verhoudingscijfer 0,1657 correct was toegepast bij de berekening van de vervolguitkering, wat gunstiger was dan de nationale samenloopregeling. Het lagere bedrag van de vervolguitkering ten opzichte van de eerdere loongerelateerde uitkering werd verklaard door de beperkte duur van de loongerelateerde uitkering onder de Wet WIA.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.