ECLI:NL:CRVB:2014:1551
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.A.A.G. Vermeulen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bijdrageplicht voor echtgenote op grond van onvoldoende zelfstandige zorgverzekering in België
Appellant, woonachtig in België en gerechtigd tot een Nederlands pensioen, werd door het Zorginstituut als bijdrageplichtig aangemerkt voor de zorgverzekering van zijn echtgenote. Deze was als meeverzekerd gezinslid ingeschreven bij de Belgische Mutualité Socialiste du Luxembourg met een E 121-formulier voor de periode 2006-2010. De Mutualité stelde echter dat de inkomsten van de echtgenote in 2006 te laag waren voor een zelfstandig recht op zorg.
Appellant betwistte de bijdrageplicht over de maanden in 2006 waarin zijn echtgenote werkte, en voerde aan dat hij vanaf 2007 als werknemer moest worden aangemerkt waardoor de buitenlandbijdrage niet van toepassing zou zijn. De Raad vroeg het Zorginstituut navraag te doen bij de Mutualité, die bevestigde dat de echtgenote onvoldoende inkomsten had voor een zelfstandig recht op zorg in 2006.
De Raad oordeelde dat de E 121-verklaring geldig is zolang deze niet is ingetrokken en dat het beginsel van rechtszekerheid en loyale samenwerking tussen lidstaten dit ondersteunt. De bijdrageplicht voor de echtgenote is daarom terecht vastgesteld. Tevens werd overwogen dat de appellant slechts in de perioden waarin hij daadwerkelijk beroepswerkzaamheden verrichtte, als werknemer werd aangemerkt en dat de pensioenrechten pas vanaf daadwerkelijke uitbetaling gelden.
Het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er is geen aanleiding tot veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant terecht bijdrageplichtig is voor zijn echtgenote vanwege onvoldoende zelfstandige zorgverzekering in België in 2006.