ECLI:NL:CRVB:2014:1530
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- J.F. Bandringa
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Ingangsdatum AOW-pensioen en gezamenlijke huishouding bij kostgangersrelatie
Betrokkene vroeg op 8 augustus 2011 een AOW-pensioen aan, met terugwerkende kracht vanaf zijn 65e verjaardag in 2007. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende het pensioen toe vanaf augustus 2010, met terugwerkende kracht beperkt tot één jaar voor de aanvraag. De Svb stelde dat betrokkene en [S.] een gezamenlijke huishouding voeren, wat invloed heeft op de pensioenhoogte.
De rechtbank stelde dat betrokkene geen gezamenlijke huishouding voerde met [S.] vanwege het ontbreken van financiële verstrengeling en verzorging buiten een commerciële relatie. Betrokkene en de Svb gingen beiden in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dat het pensioen niet verder terugwerkend kan worden toegekend dan één jaar voor de aanvraag, omdat geen sprake was van een bijzonder geval. Daarnaast oordeelde de Raad dat betrokkene en [S.] wel een gezamenlijke huishouding voeren, gelet op de feitelijke zorg en wederzijdse verantwoordelijkheid die verder gaat dan een zakelijke relatie.
De Raad vernietigde het deel van de uitspraak dat de gezamenlijke huishouding ontkende en verklaarde het beroep tegen het bezwaarbesluit van de Svb ongegrond. De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer op 22 april 2014.
Uitkomst: Het beroep tegen het bezwaarbesluit wordt ongegrond verklaard en er is sprake van een gezamenlijke huishouding met recht op gehuwdenpensioen vanaf één jaar terug voor de aanvraag.