ECLI:NL:CRVB:2014:1335
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verzekeringsplicht AWBZ ondanks dubbele woonplaatsen en Duitse zorgverzekering
Appellant, met de Nederlandse en Duitse nationaliteit, was in geschil of hij verzekerd was voor de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) gedurende de periode van 9 juni 2011 tot 20 september 2011. Hoewel appellant ook een Duitse zorgverzekering had en een woonadres in Duitsland, was hij feitelijk woonachtig in Nederland sinds 1995 en studeerde hij daar vanaf 2004.
De Sociale verzekeringsbank (Svb) had appellant als verzekerd aangemerkt en hem verplicht een Nederlandse zorgverzekering af te sluiten. Appellant voerde aan dat de dubbele verzekering in strijd was met Europese regelgeving en dat hij, net als zijn vader die in Duitsland werkt en pensioen ontvangt, niet verplicht zou moeten zijn voor de AWBZ verzekerd te zijn.
De Raad oordeelde dat op grond van de feiten appellant als ingezetene van Nederland moest worden beschouwd, waarbij het gewone centrum van zijn belangen in Nederland lag. De Duitse verzekering en inschrijving deden hier niet aan af. Er was geen grond voor uitsluiting of ontheffing van de verzekeringsplicht. Het beroep op artikel 10 van Pro het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 werd niet onderbouwd en was niet van toepassing.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant verzekerd is voor de AWBZ en verklaart het hoger beroep ongegrond.