Betrokkene, een minderjarige met een lichte verstandelijke beperking, was sinds 2009 geïndiceerd voor de zorgfunctie Begeleiding Groep (BG) op grond van de AWBZ. In 2010 vroeg hij een persoonsgebonden budget aan voor meer zorg, maar dit werd afgewezen omdat de extra zorg binnen de normale zorgtijd viel en er geen noodzaak was voor aanvullende AWBZ-zorg. De rechtbank verklaarde het bezwaar van betrokkene gegrond, stellende dat terugkomen op de bestaande indicatie in strijd was met rechtszekerheid en fair play.
In hoger beroep stelde appellante dat elke nieuwe aanvraag leidt tot een integrale beoordeling van de zorgbehoefte en dat het bestuursorgaan niet verplicht is om fouten uit het verleden te herhalen. De Raad bevestigde dat de medisch adviseur zorgvuldig de beperkingen van betrokkene en de zorgbehoefte had vastgesteld, en dat de moeder van betrokkene niet overbelast was.
De Raad oordeelde dat het bestuursorgaan bevoegd is om de indicatie te beëindigen per een toekomstige datum indien uit medisch onderzoek blijkt dat geen aanspraak op AWBZ-zorg bestaat. Het feit dat de zorg in het verleden wel was toegekend, verhindert dit niet. Het beroep van betrokkene werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.