ECLI:NL:CRVB:2014:1136
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding bij intrekking bijstand
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en verbleef in de zomer van 2012 langere tijd in Suriname zonder tijdige melding aan de Dienst Werk en Inkomen (DWI). Na niet te zijn verschenen op oproepen van DWI, werd haar bijstand op 17 juli 2012 opgeschort en op 23 juli 2012 ingetrokken. Appellante maakte bezwaar tegen deze intrekking, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke bezwaartermijn.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellante ging in hoger beroep tegen de niet-verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Zij stelde dat het college bekend was met haar verblijf in Suriname en dat zij uit contact met DWI vertrouwen had gekregen dat haar uitkering na juli 2012 zou worden voortgezet. De Raad oordeelde echter dat appellante voldoende maatregelen had moeten treffen om haar belangen te behartigen, zoals het inschakelen van haar dochter voor postverzorging, en dat zij hierdoor geacht kon worden tijdig op de hoogte te zijn van het intrekkingsbesluit.
De Raad verwierp het beroep en bevestigde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. Het college had geen verplichting het besluit naar het buitenland te sturen en appellante had de gevolgen van het besluit onjuist ingeschat. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar bevestigd.