ECLI:NL:CRVB:2014:1134
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving sinds 2005 bijstand als alleenstaande, later als alleenstaande ouder. Na een huisbezoek en onderzoek door de Sociale Zaken en Werkgelegenheid werd vastgesteld dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden op het uitkeringsadres. Dit leidde tot intrekking van de bijstand vanaf 1 juli 2011 en terugvordering van €54.679,37 over de periode van 19 december 2007 tot en met 30 juni 2011.
Appellanten maakten bezwaar tegen deze besluiten, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelden zij dat er geen gezamenlijke huishouding was. De Raad oordeelde dat uit verklaringen van appellanten bleek dat zij hun hoofdverblijf deelden en een kind hadden, wat het bestaan van een gezamenlijke huishouding bevestigt.
De Raad verwierp het betoog dat de verklaring van appellante onder druk was afgelegd. Omdat appellante de gezamenlijke huishouding niet had gemeld, was zij haar inlichtingenplicht volgens artikel 54, derde lid, WWB, nagekomen. Het hoger beroep faalde en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending van de inlichtingenplicht.