4.De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Het hoger beroep van betrokkene
4.1.1. Betrokkene heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank het beroep tegen het gehandhaafde ontslagbesluit ongegrond heeft verklaard. In hoger beroep heeft betrokkene het oordeel van de rechtbank dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim door autoreiskosten te declareren die niet overeenkomen met de werkelijk gereden kilometers, niet bestreden.
4.1.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat betrokkene zich niet gehouden heeft aan de aanbestedingsregels. Betrokkene was bekend met de regels voor het aanbesteden, die onder meer zijn vastgelegd in het protocol Aanbesteden. Betrokkene heeft op 4 augustus 2010 een verklaring afgelegd waarin hij heeft erkend dat de aanbestedingen betreffende theater [naam theater] niet volgens de regels zijn verlopen. Betrokkene heeft voorts verklaard dat hij bij het project [naam project] offertes heeft ontvangen van[naam bureau],[bedrijf1] en [bedrijf2]. Hij constateerde dat[naam bureau] niet de goedkoopste was en heeft vervolgens naar[naam bureau] gebeld om te zeggen dat ze te hoog zaten en op € 40.000,- moesten gaan zitten, waarna[naam bureau] een aangepaste offerte heeft gestuurd en betrokkene de opdracht aan[naam bureau] heeft gegeven.
4.1.3. De Raad gaat uit van de juistheid van de door betrokkene op 4 augustus 2010 afgelegde verklaring en kent geen betekenis toe aan zijn gewijzigde verklaring over de gevolgde aanbestedingsprocedure bij het project [naam project]. De wijziging in de verklaring betreft het moment dat hij met[naam bureau] contact opnam. Volgens de gewijzigde verklaring van betrokkene was er toen nog geen sprake van een aanbesteding, maar van een inventarisatie. Door eerst een inventarisatie te doen, kon betrokkene inschatten welk budget realistisch was. In het kader van deze inventarisatie heeft hij aan[naam bureau] advies gevraagd. Dit advies is uitgebracht in de vorm van een offerte. Volgens betrokkene heeft hij pas daarna een aanbesteding gestart en heeft hij ook[bedrijf2] en [bedrijf1] gevraagd een offerte uit te brengen. Een bevestiging van de juistheid van de eerste - onder 4.1.2 opgenomen - verklaring van betrokkene is gelegen in de verklaring van D van 11 november 2010. D heeft verklaard dat hij in eerste instantie een offerte had uitgebracht van € 50.000,- en dat hij de dag na indiening van die offerte met betrokkene heeft gesproken, waarna de offerte is aangepast tot een bedrag van € 42.000,-. D heeft deze verklaring geverifieerd aan de hand van zijn eigen administratie. Ook zijn de betreffende offertes aan hem getoond. Voorts is van betekenis dat betrokkene in zijn zienswijze naar aanleiding van het ontslagvoornemen niet wezenlijk anders heeft verklaard dan in het gesprek op
4 augustus 2010 en pas ter zitting bij de rechtbank en in hoger beroep zijn verklaringen over de aanbestedingsprocedure bij het project [naam project] heeft gewijzigd.
4.1.4. Betrokkene wordt niet gevolgd in zijn betoog dat hij niet aan de op 4 augustus 2010 afgelegde verklaring mag worden gehouden, omdat deze onder ontoelaatbare druk is afgelegd, het gesprek niet was aangekondigd en vijfeneenhalf uur duurde. Het is voorstelbaar dat betrokkene enige druk heeft ervaren, maar niet is gebleken dat hij zijn verklaring niet in vrijheid dan wel onder ontoelaatbare druk heeft afgelegd. Hierbij is van belang dat betrokkene tijdens het gesprek niet kenbaar heeft gemaakt dat hij zich onder druk gezet voelde en dat het gesprek voor hem te lang duurde. Ook heeft betrokkene in de periode tot aan de toezending van het ontslagvoornemen niet van de gelegenheid gebruik gemaakt om zijn bezwaren tegen de wijze waarop het gesprek is gevoerd, alsnog naar voren te brengen.
4.1.5. Betrokkene heeft aangevoerd dat hij tijdens het gesprek op 4 augustus 2010 met de medewerkers van Hoffmann niet in de gelegenheid is gesteld om zich te laten bijstaan door een raadsman. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het gesprek met betrokkene betrof namelijk geen verhoor in het kader van een strafrechtelijke procedure. Voorafgaand aan het gesprek is aan betrokkene meegedeeld dat medewerking aan het onderzoek op basis van vrijwilligheid plaatsvond, waarop betrokkene heeft verklaard bereid te zijn aan het onderzoek mee te werken. Hij heeft op dat moment noch tijdens het gesprek te kennen gegeven behoefte te hebben aan bijstand door een raadsman.
4.1.6. Voorts heeft betrokkene aangevoerd dat hij pas op 4 oktober 2010, bij de toezending van het ontslagvoornemen, het rapport van Hoffmann heeft ontvangen, waardoor hij niet eerder heeft kunnen reageren op de wijze waarop het gesprek van 4 augustus 2010 in dit rapport is vastgelegd. Ook hier is van betekenis dat betrokkene naar aanleiding van dit voornemen niet wezenlijk anders heeft verklaard over de aanbestedingen dan in het verslag van Hoffmann is vastgelegd. De datum van toezending van het verslag van het gesprek is dan ook niet van wezenlijk belang.
4.1.7. De in het bestreden besluit onder 2 en 4 genoemde gedragingen, die hiervoor onder 4.1.1 tot en met 4.1.6 zijn besproken, leveren plichtsverzuim op.
4.1.8. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat gezien de ernst van het plichtsverzuim de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is. De lange en goede staat van dienst van betrokkene maakt niet dat de opgelegde straf onevenredig is, aangezien juist daarom van hem mocht worden verwacht dat hij zich anders zou hebben gedragen. Dat het ongevraagde ontslag ontegenzeggelijk verstrekkende (financiële) gevolgen voor betrokkene heeft en hij daarom belang heeft bij voortzetting van zijn dienstverband legt, gelet op het belang van het college om betrouwbare en integere medewerkers in dienst te hebben, te weinig gewicht in de schaal om het gegeven strafontslag niet evenredig aan het plichtsverzuim te achten. Dat de gemeente door zijn handelwijze niet zou zijn benadeeld, hetgeen het college overigens heeft betwist, kan om dezelfde reden niet tot een ander oordeel leiden. Gegeven dit oordeel laat de Raad evenals de rechtbank de beoordeling van de overige in het bestreden besluit onder 1 en 3 genoemde gedragingen achterwege.
4.1.9. Uit 4.1.2 tot en met 4.1.8 volgt dat het hoger beroep van betrokkene niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal, voor zover aangevochten, worden bevestigd.
Het hoger beroep van het college
4.2.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat ook de in het bestreden besluit onder 1 en 3 genoemde gedragingen, in samenhang met de in het bestreden besluit onder 2 en 4 genoemde gedragingen zijn aan te merken als strafontslagwaardig plichtsverzuim. Namens het college is ter zitting bij de Raad verklaard dat op het moment dat de Raad oordeelt dat de onder 2 en 4 genoemde gedragingen plichtsverzuim opleveren en voldoende zijn om het verleende strafontslag te kunnen dragen, het college geen belang meer heeft bij het bespreken van de overige gedragingen.
4.2.2. Gelet op hetgeen onder 4.1.7 en 4.2.1 is overwogen, moet het hoger beroep van het college vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard.