ECLI:NL:CRVB:2014:1031
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens geschiktheid voor lichte arbeid
Appellant, voormalig schoonmaker, viel uit met psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt voor lichte werkzaamheden zoals productiemedewerker en snackbereider. Appellant maakte bezwaar tegen het besluit dat hij geschikt was om te werken, maar dit werd ongegrond verklaard.
De rechtbank Utrecht oordeelde dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig was en dat er geen aanwijzingen waren om te twijfelen aan de geschiktheid van appellant voor lichte arbeid. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte geen informatie had ingewonnen bij zijn psychiater en dat zijn beperkingen onderschat waren.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV. De Raad stelde vast dat de verzekeringsarts voldoende gemotiveerd had dat appellant in staat was ten minste één van de geduide functies te vervullen. Ook was er voldoende informatie aanwezig over de psychische toestand van appellant. De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de eerdere uitspraak.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.