ECLI:NL:CRVB:2013:CA2366
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum bijstand na verblijfsvergunning onder pardonregeling
Appellant, afkomstig uit Algerije, verkreeg op 12 oktober 2010 een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 15 juni 2007 in het kader van de pardonregeling. Op 1 december 2010 vroeg hij bijstand aan op grond van de WWB. Het college kende bijstand toe vanaf 1 december 2010 en wees bezwaar tegen de ingangsdatum af omdat appellant zich pas toen had gemeld en geen bijzondere omstandigheden waren aangetoond.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, stellende dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij zich eerder had gemeld of dat bijzondere omstandigheden een eerdere bijstandsverlening rechtvaardigden. Appellant voerde aan dat hij vanaf 2007 leefgeld en huurvergoeding ontving via Vluchtelingenwerk en dat hij eerder recht op bijstand had.
De Raad overwoog dat volgens vaste rechtspraak bijstand in beginsel pas wordt toegekend vanaf de datum van melding, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen, zoals een met terugwerkende kracht verleende verblijfsvergunning gecombineerd met aantoonbare schulden door derden die in de noodzakelijke kosten voorzagen. Appellant slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij niet in zijn noodzakelijke kosten had voorzien of dat hij een concrete terugbetalingsverplichting had jegens Vluchtelingenwerk.
Daarom was er geen grond voor bijstand vóór 1 december 2010. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat bijstand wordt toegekend vanaf 1 december 2010 en wijst het hoger beroep af.