ECLI:NL:CRVB:2013:CA2364

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 juni 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12-249 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 WWBArt. 44 WWBArt. 47a WWB
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugwerkende kracht AIO-aanvulling na auto-ongeluk en onbekendheid met regelgeving

Appellant, ontvanger van een AOW-pensioen, vroeg op 14 april 2009 een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) aan. De Sociale verzekeringsbank (Svb) kende deze aanvulling toe met ingang van die datum, maar weigerde terugwerkende kracht tot de dag van zijn 65e verjaardag op 3 januari 2008.

Appellant voerde aan dat hij door een ernstig auto-ongeluk in Turkije in 2007, waarbij zijn echtgenote overleed en hijzelf zwaar gewond raakte, niet eerder in staat was om de aanvraag te doen. Daarnaast stelde hij dat hij onvoldoende op de hoogte was van de wettelijke regelingen.

De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de weigering ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij vóór 14 april 2009 niet in staat was zich te melden, mede omdat hij al eerder een AOW-pensioen kon aanvragen. Onbekendheid met de wet vormt geen grond voor terugwerkende toekenning. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van terugwerkende kracht voor de AIO-aanvulling wordt bevestigd.

Uitspraak

12/249 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van
29 november 2011, 11/2163 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak 5 juni 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.C. Mens, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Mens. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Oudenes.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.Appellant ontvangt een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Hij heeft zich op 14 april 2009 bij de Svb gemeld om een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) aan te vragen.
1.2. Bij besluit van 8 maart 2011 heeft de Svb met ingang van 14 april 2009 aan appellant een AIO-aanvulling op het AOW-pensioen op grond van artikel 47a van de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend.
1.3. Bij besluit van 26 mei 2011 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 8 maart 2011 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden om de AIO-aanvulling met terugwerkende kracht tot 3 januari 2008, de dag waarop appellant 65 jaar werd, toe te kennen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant betoogt dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de Svb met terugwerkende kracht tot 3 januari 2008 de AIO-aanvulling had moeten toekennen. Appellant voert in dat verband aan dat hij in 2007 bij een auto-ongeluk in Turkije is betrokken is geweest en dat zijn echtgenote daarbij is overleden en hijzelf ernstig gewond is geraakt. Daardoor is hij niet eerder dan in 2009 in staat geweest om naar Nederland terug te keren en een aanvraag om een AIO-aanvulling in te dienen. Voorts heeft appellant aangevoerd dat hij niet goed van de wettelijke regelingen op de hoogte is.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor een overzicht van de relevante wettelijke bepalingen en zijn vaste rechtspraak inzake de toepassing van artikel 43 en Pro 44 van de WWB naar de aangevallen uitspraak verwijst.
4.1. Appellant heeft niet met bewijsstukken aannemelijk gemaakt dat hij door het auto-ongeluk vóór 14 april 2009 buiten staat was zich te melden om een AIO-aanvulling aan te vragen. Zo er al belemmeringen waren voor appellant om zich te melden om een AIO-aanvulling aan te vragen, zou hij bovendien een derde daarvoor hebben kunnen inschakelen. Opmerking verdient in dit verband dat appellant kennelijk wel in staat is geweest om al dan niet met hulp van een derde op een eerder moment een AOW-pensioen aan te vragen.
4.2. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat onbekendheid met wettelijke regelingen geen reden kan zijn om tot toekenning met terugwerkende kracht over te gaan.
4.3. Gelet op het hiervoor overwogene slaagt het betoog dat sprake is van bijzondere omstandigheden om de AIO-aanvulling met terugwerkende kracht toe te kennen, niet. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2013.
(getekend) J.J.A. Kooijman
(getekend) A.C. Oomkens
HD