ECLI:NL:CRVB:2013:CA2353
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herroeping intrekking bijstand wegens onhoudbaar oordeel over gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het dagelijks bestuur trok de bijstand in vanaf augustus 2010 en vorderde terugbetaling over juli 2010, omdat zij meende dat appellante en haar partner [L.] een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit te melden.
Een onderzoek door Sociale Recherche en diverse waarnemingen toonden aan dat [L.] vaak bij appellante was, maar niet overtuigend dat hij zijn hoofdverblijf bij haar had. Appellante gaf aan dat [L.] gemiddeld drie keer per week bleef slapen, meestal in het weekend, en dat zijn woning te koop stond. De verklaring van appellante was niet ondertekend en de verklaring van een buurvrouw was onvoldoende onderbouwd.
De Raad oordeelde dat het dagelijks bestuur niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een gezamenlijke huishouding in de relevante periode. Ook was appellante niet in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd en het besluit tot intrekking van de bijstand herroepen. Tevens werd het dagelijks bestuur veroordeeld tot betaling van wettelijke rente en proceskosten aan appellante.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstand en terugvordering is herroepen wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.