AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen informatieve brief over nabestaandenuitkering
Appellante ontving vanaf mei 2007 een nabestaandenuitkering na het overlijden van haar echtgenoot. De Sociale verzekeringsbank (Svb) stuurde haar op 1 maart 2010 een brief met het verzoek om haar relatie met de heer T. commercieel te maken, onder dreiging van beëindiging van de uitkering bij het ontbreken van bewijs van een commerciële relatie. Deze brief bevatte abusievelijk een bezwaarclausule.
Appellante maakte bezwaar tegen deze brief en verzocht tevens om vergoeding van kosten. De Svb verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) was, maar slechts een verzoek om informatie en een waarschuwing over mogelijke gevolgen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak.
De Raad oordeelde dat de brief geen publiekrechtelijke rechtshandeling bevatte en geen rechtsgevolg had. Daardoor was het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en was er geen grond voor vergoeding van kosten. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de brief van 1 maart 2010 is terecht niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep wordt verworpen.
Uitspraak
11/3631 ANW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 mei 2011, 10/3119 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 31 mei 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. drs. M.J.G. Schroeder hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2013. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde mr. drs. Schroeder. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.
OVERWEGINGEN
1.1. Aan appellante is, na het overlijden van haar echtgenoot, vanaf mei 2007 een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) toegekend.
1.2. In oktober 2009 is door medewerkers van de Svb met appellante een gesprek gevoerd over haar woonsituatie. Door appellante is verklaard dat zij met haar kinderen inwonend is bij de heer [T.]. Het gaat daarbij volgens appellante om een commerciële relatie. Daarop heeft de Svb aan appellante bij brief van 20 oktober 2009 verzocht om overlegging van bewijsstukken, te weten een schriftelijke overeenkomst waarin de prestaties over en weer worden beschreven én bank- of giroafschriften van de laatste drie maanden waaruit blijkt dat de huur daadwerkelijk wordt betaald. Appellante heeft in november 2009 daarop geantwoord dat zij altijd contant betaalt, omdat de verhuurder dat wil.
1.3. Bij brief van 1 maart 2010, met als opschrift: “verzoek om informatie”, heeft de Svb appellante tot 1 april 2010 de tijd gegeven om de relatie met de heer [T.] commercieel te maken. Dit houdt in dat er een huurovereenkomst dient te worden opgesteld en dat betaling van de huurprijs via de bank overgemaakt dient te worden. De brief vervolgt: “Indien u vóór
1 april 2010 nog ingeschreven staat op bovenstaand adres, en er geen sprake is van een commerciële relatie tussen u en de heer [T.], zullen wij een gezamenlijke huishouding vaststellen. Dit houdt in dat uw recht op nabestaandenuitkering eindigt per 30 april 2010.” Verzocht wordt de gevraagde informatie vóór 30 maart 2010 op te sturen. Deze brief is voorzien van een bezwaarclausule.
2.1. Op 9 maart 2010 is namens appellante bezwaar gemaakt tegen de brief van 1 maart 2010. Verzocht wordt om vergoeding van kosten conform artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.2. Blijkens een loketrapport van 10 maart 2010 is appellante aan het loket geweest met een huurovereenkomst. Ze kan een nieuwe woning krijgen als ze de borg betaalt en verzoekt om een voorschot. Op 12 maart is door de Svb aan appellante het gevraagde voorschot toegekend.
2.3. Bij brief van 27 juni 2010 heeft de gemachtigde van appellante aan de Svb laten weten dat appellante in maart 2010 daadwerkelijk is verhuisd.
2.4. Bij besluit van 8 juli 2010 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard. Opgemerkt wordt dat in de brief van 1 maart 2010 is verzocht om informatie en dat de mogelijke gevolgen zijn geschetst van het niet verstrekken van bewijsstukken. Abusievelijk is in de brief een bezwaarclausule opgenomen. De brief is echter niet gericht op rechtsgevolg en derhalve geen besluit in de zin van artikel 1:3 vanPro de Awb. Naar aanleiding van de brief van 1 maart 2010 is geen wijziging in het recht toegepast. Voor vergoeding van de kosten van het bezwaar is slechts plaats voor zover er sprake is van een besluit en dit besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Aangezien met de brief van 1 maart 2010 slechts een verzoek om informatie is verzonden en er derhalve geen sprake kan zijn van het nemen van een onrechtmatig besluit wordt het verzoek om vergoeding van kosten afgewezen.
2.5. Bij brief van 18 augustus 2010 is aan appellante medegedeeld dat haar uitkering ingevolge de ANW niet verandert.
3.1. Namens appellante is beroep ingesteld tegen het besluit van 8 juli 2010. Opgemerkt wordt dat reeds gezien de rechtsmiddelenclausule het er voor gehouden moet worden dat de Svb met de brief van 1 maart 2010 beoogde een besluit te nemen. Verder volgt uit de brief dat per 30 april 2010 de uitkering wordt ingetrokken, tenzij appellante de relatie met [T.] commercieel maakt. Daaraan wordt toegevoegd dat de Raad voor de Rechtsbijstand de aanvraag om een toevoeging in verband met het maken van bezwaar tegen het besluit van 1 maart 2010 heeft beoordeeld en de aanvraag heeft toegewezen. Volgens appellante heeft de Svb bij het besluit van 8 juli 2010 aan het besluit van 1 maart 2010 de kwalificatie van besluit onttrokken. Dit dient op één lijn te worden gesteld met de herroeping van een besluit.
3.2. In verweer is door de Svb opgemerkt dat de brief van 1 maart 2010 geen publiekrechtelijke rechtshandeling bevat en daarom niet is aan te merken als een besluit. Toegelicht wordt dat de in de brief genoemde datum 1 april 2010 niet ziet op de beëindiging van de uitkering, maar op het moment waarop de Svb de leefsituatie van appellante definitief gaat beoordelen. De brief is een uitleg aan appellante van de leefsituatie, zoals de Svb die ziet, en de gevolgen die het ongewijzigd laten voortduren daarvan in de toekomst kan hebben voor appellante. Het opnemen van een bezwaarclausule is een kennelijke misslag, maar heeft geen gevolgen voor het besluitkarakter van de brief. Nu er geen sprake is van een besluit, is er ook geen besluit herroepen en bestaat er geen recht op vergoeding van de kosten van rechtsbijstand.
3.3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat de brief van 1 maart 2010 niet kan worden aangemerkt als een (voorwaardelijk) besluit. Uit de brief kan slechts worden afgeleid welke besluiten de Svb voornemens was te nemen op (of na) 1 april 2010. Gelet hierop is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Ter zake van het verzoek van appellante om een kostenvergoeding op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb brengt dit mee dat niet kan worden gesproken van een herroeping van een primair besluit. Dat betekent dat niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. De omstandigheid dat de brief van 1 maart 2010 een bezwaarclausule bevat maakt dit niet anders.
4.1. In de procedure in hoger beroep hebben partijen hun standpunten in essentie herhaald.
4.2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.3. De Raad kan zich in belangrijke mate vinden in de uitspraak van de rechtbank en de daaraan ten gronde gelegde oordelen. Ook naar het oordeel van de Raad kan de brief van 1 maart 2010 niet worden aangemerkt als ‘een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling’ als omschreven in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De brief van 1 maart 2010 bevat geen rechtsvaststelling ten aanzien van de nabestaandenuitkering van appellante en beoogt zulks ook niet. De brief beschrijft enkel de gevolgen van een mogelijke vaststelling van een gezamenlijke huishouding voor de uitkering van appellante. Dat brengt mee dat bij het besluit van 8 juli 2010 terecht is vastgesteld dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. Daarmee staat vast dat niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. In zoverre heeft de Svb dan ook niet ten onrechte het verzoek om vergoeding van kosten afgewezen.
4.4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4.5. Voor een veroordeling van één van de partijen in de proceskosten van de andere partij bestaat geen grond.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en J.S. van der Kolk als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2013.