ECLI:NL:CRVB:2013:CA1192
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C. Bruning
- T. Hoogenboom
- K. Wentholt
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 29 september 2008
Appellant heeft zijn werk als assistent conciërge gestaakt vanwege medische klachten en ontving van 2003 tot 2006 een WAO-uitkering. Na hervatting van het werk stopte hij opnieuw in 2006. Het UWV stelde vast dat appellant per 29 september 2008 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op een WIA-uitkering bestond. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de vastgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) juist was en dat appellant passend werk kon verrichten.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn medische beperkingen, waaronder artrose en spastische darmklachten, onvoldoende waren meegewogen en verwees naar aanvullende medische rapporten en een brief van zijn psychiater. De Raad concludeerde dat de klachten over de gewrichten en darm niet voldoende onderbouwd waren voor beperkingen op de peildatum en dat de psychiater pas sinds 2012 betrokken was, waardoor diens verklaring niet relevant was voor 2008.
De Raad onderschreef de rechtbank in haar oordeel dat de belastbaarheid van appellant juist was vastgesteld en dat de geselecteerde functies de belastbaarheid niet overschreden. De psychische gevolgen van de medische problematiek waren onvoldoende aangetoond voor de peildatum. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en appellant heeft geen recht op een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid per 29 september 2008.