ECLI:NL:CRVB:2013:CA0741

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12-6125 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang na herziening UWV-besluit

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Arnhem inzake een geschil met het UWV over een terugvordering. Het UWV heeft op 20 december 2012 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen waarin het bezwaar van appellant volledig is gegrond verklaard en de terugvordering op nihil is gesteld. Hierdoor is het geschil tussen partijen feitelijk komen te vervallen.

Appellant verzocht om vergoeding van gemaakte kosten en wettelijke rente. Het UWV heeft geen verweerschrift ingediend. De Raad heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het onderzoek gesloten. Omdat het UWV volledig tegemoet is gekomen aan het gevorderde, bestaat er geen procesbelang meer voor appellant om het hoger beroep voort te zetten.

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk. Wel wijst de Raad het verzoek van appellant toe om het UWV te veroordelen tot betaling van wettelijke rente over het te restitueren bedrag, conform eerdere jurisprudentie. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant, begroot op €1.416,-, en in de vergoeding van het betaalde griffierecht van €156,-.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang; het UWV wordt veroordeeld tot betaling van wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

12/6125 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 18 oktober 2012, 11/3754 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 22 mei 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E. van Sark hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op 20 december 2012 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 16 januari 2013 heeft appellant verzocht om een vergoeding van de gemaakte kosten en wettelijke rente.
Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
OVERWEGINGEN
Met de beslissing op bezwaar van 20 december 2012 heeft het Uwv opnieuw op het bezwaar van appellant beslist. Dit besluit, waarbij het Uwv het bezwaar van appellant gegrond heeft verklaard en de terugvordering op nihil heeft gesteld, komt geheel tegemoet aan het in (hoger) beroep gevorderde. Appellant heeft de Raad verzocht om vergoeding van de gemaakte kosten en de wettelijke rente over het aan appellant te restitueren bedrag.
Nu er tussen partijen geen door de Raad te beslechten inhoudelijk geschil meer bestaat, moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
De Raad wijst het verzoek van appellant toe om het Uwv te veroordelen in de vergoeding van de wettelijke rente over het te restitueren bedrag. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de rente dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 25 januari 2012, LJN BV1958.
De Raad ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 944,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 472,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.416,--.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het hoger beroep niet ontvankelijk;
- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente als hiervoor is vermeld;
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.416,--;
- bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2013.
(getekend) M. Greebe
(getekend) A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen