ECLI:NL:CRVB:2013:CA0564

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11-6825 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 3 WWBArt. 3 lid 4 WWBArt. 8:72 lid 4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herroeping intrekking bijstand wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding

Appellante ontving bijstand sinds januari 2007 en het college van burgemeester en wethouders van Almere trok deze bijstand per 31 januari 2008 in wegens vermeende gezamenlijke huishouding met haar partner op een ander adres. Het college baseerde dit op een onderzoek met dossieronderzoek, waarnemingen en verklaringen van buurtbewoners.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders. De Raad stelt dat de enkele waarneming dat appellante het adres van haar partner verliet, de onzekere herkenning door buurtbewoners en het feit dat zij zich op internet als gehuwd presenteren onvoldoende bewijs vormen voor een gezamenlijke huishouding. Bovendien woonden appellante en haar partner niet op hetzelfde adres.

De Raad vernietigt het bestreden besluit en herroept het intrekkingsbesluit. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante. De Raad sluit uit dat het college alsnog aannemelijk kan maken dat sprake was van een gezamenlijke huishouding vanaf 31 augustus 2008 en wijst op het ontbreken van een deugdelijke grondslag voor intrekking van de bijstand.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt herroepen wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.

Uitspraak

11/6825 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 16 oktober 2011, 11/908 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.A.J. van Putten, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2013. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. de Roos.
OVERWEGINGEN
1. Appellante ontving sinds 2 januari 2007 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm van een alleenstaande ouder. Appellante heeft twee kinderen, geboren op onderscheidenlijk 12 september 2006 en 15 maart 2008. Zij stond ten tijde hier van belang in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven op het adres [adres A.] te [woonplaats].
1.1. Naar aanleiding van de bevindingen van een onderzoek in verband met een aanvraag door de zus van appellante om een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren op het adres [adres B.] te [woonplaats], heeft een bijzonder controleur van het team handhaving, afdeling Werkpoort van Sociale zaken van de gemeente Almere een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft onder meer dossieronderzoek plaatsgevonden, zijn registers en het internet geraadpleegd, heeft een waarneming plaatsgevonden, zijn twee buurtbewoners rond het adres [adres B.] gehoord en is appellante verhoord. Op grond van de resultaten van het onderzoek heeft het college geconcludeerd dat appellante sinds 31 januari 2008 een gezamenlijke huishouding voert met [naam partner] ([partner]) op het adres [adres B.], het adres van [partner ].
1.2. Bij besluit van 20 december 2010 heeft het college de bijstand van appellante vanaf
31 januari 2008 ingetrokken op de grond dat zij de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door aan het college geen inlichtingen te verstrekken over de gezamenlijke huishouding met [partner ].
1.3. Bij besluit van 16 maart 2011 (bestreden besluit) heeft het college het door appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 20 december 2010, ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat de besluitvorming van het college op een onvoldoende materiële grondslag is gebaseerd. Daarbij heeft zij erop gewezen dat een van de twee buurtbewoners die zijn gehoord appellante aan de hand van haar foto niet met zekerheid heeft herkend, dat er slechts één waarneming is gedaan en dat voor het feit dat appellante en [partner ] zich op internet als gehuwd presenteren een verklaring is gegeven.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Evenals de rechtbank heeft geoordeeld strekt de beoordeling door de bestuursrechter zich in dit geval uit van 31 augustus 2008 tot en met de datum van het intrekkingbesluit, zijnde
20 december 2010. Anders dan appellante heeft gesteld, brengt de mededeling in het besluit
van 20 december 2010, dat de ten onrechte verstrekte bijstand over de periode van 31 januari 2008 tot en met 30 september 2010 bij nader te nemen besluit zal worden teruggevorderd, niet met zich mee dat de intrekking van de bijstand ook is beperkt tot en met 30 september 2010.
4.2. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB, is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
4.3. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaats gevonden van een kind van de een door de ander.
4.4. Niet wordt betwist dat uit de relatie tussen appellante en [partner ] twee kinderen zijn geboren. Voor de beantwoording van de vraag of ten tijde in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding is daarom bepalend of appellante en [partner ] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Deze vraag beantwoordt de Raad ontkennend. De waarneming op 9 november 2010, waarbij is geconstateerd dat appellante de woning aan het adres [adres B.] verliet, de verklaring van een buurtbewoner op 26 oktober 2010 dat op de [adres B.] al twee jaar een gezin woont bestaande uit een man, een vrouw en twee kinderen en de omstandigheid dat appellante en [partner ] zich op internet als gehuwd presenteren, bieden onvoldoende grondslag voor het standpunt van het college dat sprake is van een gezamenlijke huishouding vanaf 31 augustus 2008. Daarbij is aanmerking genomen dat de enkele waarneming dat appellante op 9 november 2010 het adres [adres B.] verliet niets zegt over een gezamenlijk hoofdverblijf met [partner ] op dat adres. Verder is van belang dat de bewoner van het adres [adres A.] niet met zekerheid kan zeggen of appellante haar buurvrouw is en dat uit de verklaring van de bewoner van het adres [adres C.] niet valt af te leiden dat zij appellante heeft geïdentificeerd.
4.5. Uit het voorgaande volgt dat de intrekking van de bijstand van appellante over de te beoordelen periode niet op een deugdelijke grondslag berust. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Gelet op het tijdsverloop, wordt het uitgesloten geacht dat het gebrek dat kleeft aan het bestreden besluit nog kan worden hersteld. Niet valt in te zien dat het college alsnog aannemelijk zou kunnen maken dat vanaf 31 augustus 2008 sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf. Er is dan ook aanleiding om gebruik te maken van de bevoegdheid op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 20 december 2010 te herroepen voor zover het ziet op de intrekking van de bijstand vanaf 31 augustus 2008. Ter zitting is van de kant van het college gezegd dat mocht de intrekking niet in stand blijven, aan het inmiddels genomen terugvorderingsbesluit, dat hier niet ter beoordeling voorligt, geen uitvoering zal worden gegeven. Met het oog op een eventueel nieuw te nemen besluit wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank op 6 september 2011, waaruit valt op te maken dat appellante sinds twee maanden, zoals zij zegt, bij haar ex woont en dat ze, toen ze geen bijstand meer kreeg, heeft geleefd van alimentatie, de kinderbijslag en geld dat zij hier en daar van anderen kreeg.
5. Er bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 944,-- in beroep en € 944,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 16 maart 2011;
- herroept het besluit van 20 december 2010 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt
van het vernietigde besluit van 16 maart 2011;
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.888,--;
- bepaalt dat het college aan appellante het door haar betaalde griffierecht in beroep en hoger
beroep van in totaal € 153,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei m2013.
(getekend) A.B.J. van der Ham
(getekend) M.R. Schuurman
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.
HD