ECLI:NL:CRVB:2013:CA0453

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11-4614 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 7:3 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen uitkeringsspecificatie UWV

Appellant maakte bezwaar tegen een specificatie van de arbeidsongeschiktheidsuitkering die het UWV hem had toegezonden. De bezwaarafdeling van het UWV verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de specificatie geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is. De rechtbank Groningen verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat een uitkeringsspecificatie geen publiekrechtelijke rechtshandeling is en dus niet als besluit kan worden aangemerkt.

In hoger beroep voerde appellant onder meer aan dat de hoogte van de beslagvrije voet onjuist was vastgesteld en dat er onterecht van een hoorzitting was afgezien. De Centrale Raad van Beroep volgde echter de overwegingen van de rechtbank en bevestigde dat het schrijven van het UWV geen besluit is. Omdat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, kon de Raad niet inhoudelijk op de geschilpunten ingaan.

De Raad wees ook op artikel 7:3, sub a, Awb, dat het bestuursorgaan de mogelijkheid biedt om bij kennelijke niet-ontvankelijkheid van het bezwaar af te zien van een hoorzitting. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de uitkeringsspecificatie is terecht niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep wordt afgewezen.

Uitspraak

11/4614 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 16 juni 2011, 10/1203 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 17 mei 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. S.T. Dieters, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2013 alwaar niemand is verschenen.
OVERWEGINGEN
1.1. Bij schrijven van 10 oktober 2010 heeft het Uwv aan appellant een specificatie arbeidsongeschiktheidsuitkering over oktober 2010 toegestuurd. Hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt.
1.2. Bij besluit van 7 december 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat ingevolge artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onder een besluit wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. De uitkeringsspecificatie voldoet niet aan dit begrip. Het is geen rechtshandeling, dat wil zeggen dat het niet is gericht op (een beoogd) rechtsgevolg. Het bezwaar is terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
3.1. In hoger beroep heeft appellant de hoogte van de beslagvrije voet aan de kaak gesteld. Het Uwv behoort dit zelf te beoordelen. Ook bestrijdt appellant de afspraak die tussen hem en het Uwv gemaakt zou zijn over de hoogte van het bedrag van de verrekening. Tot slot heeft de rechtbank onbesproken gelaten de grond van appellant dat ten onrechte van een hoorzitting is afgezien.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Met de rechtbank - en op de haar gebezigde overwegingen - is de Raad van oordeel dat het schrijven van 10 oktober 2010 geen besluit is in de zin van de Awb. De Raad volstaat met een verwijzing naar de overwegingen van de rechtbank.
4.3. De Raad voegt hier aan toe dat indien een bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is, een bestuursorgaan overeenkomstig artikel 7:3, sub a, van de Awb, kan afzien van een hoorzitting.
4.4. Nu het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard, kan aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil niet toegekomen worden.
5. Uit hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigt.
6. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2013.
(getekend) I.M.J. Hiljorst-Hagen
(getekend) G.J. van Gendt