ECLI:NL:CRVB:2013:CA0320
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C. Bruning
- E.J. Govaers
- K. Wentholt
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens voldoende arbeidsvermogen na zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek
Appellante viel uit wegens zwangerschapsklachten en ontving nadien uitkeringen op grond van de Ziektewet en Wet Arbeid en Zorg. Het UWV stelde bij besluit vast dat zij geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat zij geschikt is voor haar eigen werk. De bezwaarverzekeringsarts stelde beperkingen vast en paste de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aan, maar concludeerde dat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en volledig was en dat het UWV terecht uitging van het SV-loon exclusief fooien en maaltijden. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, dat de medische beoordeling van het UWV niet onafhankelijk is, en dat fooien en maaltijden tot het loon behoren.
De Raad oordeelde dat het UWV de medische feiten voldoende heeft onderbouwd en dat het aan appellante is om twijfel te wekken, wat niet is gelukt. De artsen van het UWV worden als deskundig en onafhankelijk beschouwd. De verklaringen van de psycholoog wegen niet zwaarder dan het verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat het SV-loon onjuist is vastgesteld.
Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV-besluit dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering blijft gehandhaafd.