ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9523
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op IVA-uitkering bij niet-duurzaam volledige arbeidsongeschiktheid
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV dat hij recht had op een WGA-uitkering en niet op een IVA-uitkering, omdat hij meende volledig en duurzaam arbeidsongeschikt te zijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was en dat er een redelijke verwachting was op verbetering.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de medische prognose te optimistisch was en dat op grond van een verklaring van zijn orthopedisch chirurg geen verbetering te verwachten was. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid betrekking had op de situatie op 8 februari 2010 en dat de medische gegevens geen aanwijzingen bevatten voor een medische eindsituatie.
De bezwaarverzekeringsarts had terecht vastgesteld dat appellant in afwachting was van operaties die verbetering van mobiliteit en houding konden brengen, wat een redelijke verwachting op vermindering van arbeidsbeperkingen gaf. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een IVA-uitkering wegens het ontbreken van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.