ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9170
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van bijstandsverlening en terugwerkende kracht bij verblijfstitel en schulden
Appellante, met de Turkse nationaliteit, vroeg bijstand aan op grond van de WWB, welke werd geweigerd omdat zij geen geldige verblijfstitel had. Na verlening van een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 9 oktober 2009, vroeg zij opnieuw bijstand aan met terugwerkende kracht tot die datum. Het college kende bijstand toe vanaf 31 december 2010, maar weigerde de periode van 9 oktober 2009 tot 31 december 2010.
De Raad maakte onderscheid tussen de periode 9-12 oktober 2009, waarin het college niet hoefde terug te komen op het eerdere besluit omdat appellante geen nieuwe feiten aannemelijk had gemaakt, en de periode 13 oktober 2009 tot 31 december 2010, waarin bijstand met terugwerkende kracht slechts onder bijzondere omstandigheden wordt toegekend. Appellante slaagde er niet in aannemelijk te maken dat derden haar noodzakelijke kosten hadden voorgeschoten en dat zij een reële schuld met concrete terugbetalingsverplichting had.
De Raad concludeert dat het college terecht heeft geweigerd terug te komen op het eerdere besluit en geen bijstand met terugwerkende kracht heeft toegekend. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het college heeft terecht geweigerd bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen.