ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8845
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was sinds 30 augustus 2005 in deeltijd werkzaam als huishoudelijk medewerkster en meldde zich op 2 september 2008 ziek met nek- en schouderklachten. Het UWV stelde op 9 september 2010 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Dit besluit werd op bezwaar gehandhaafd door het UWV.
De rechtbank Roermond verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de beperkingen van appellante op verantwoorde wijze waren vastgesteld door verzekeringsartsen, met voldoende rekening houdend met haar klachten. Er waren onvoldoende objectieve aanwijzingen dat haar klachten tot zodanige beperkingen leidden dat zij passend werk niet kon verrichten.
In hoger beroep voerde appellante dezelfde gronden aan, waaronder de diagnose fibromyalgie en een brief van haar huisarts. De Raad oordeelde dat het UWV de klachten serieus had genomen en dat fibromyalgie als diagnose op zichzelf niets zegt over de mate van arbeidsongeschiktheid. De medische rapportages en arbeidskundige beoordeling boden een voldoende grondslag om het besluit te handhaven.
De Raad zag geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank te wijzigen en bevestigde het bestreden besluit. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen wordt bevestigd.