ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8544
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- M. Hillen
- A.M. Overbeeke
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanvraag bijstand met terugwerkende kracht wegens detentie in buitenland
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en verbleef in 2010 tijdelijk in Syrië, waar hij door de geheime dienst werd opgepakt en daardoor niet tijdig kon terugkeren. Het college trok de bijstand met ingang van 10 mei 2010 in vanwege het overschrijden van de toegestane verblijfsduur in het buitenland. Appellant vroeg vervolgens bijstand aan met terugwerkende kracht vanaf die datum, onderbouwd met een brief van de Nederlandse ambassade.
Het college kende bijstand toe vanaf de datum van melding (11 juni 2010), maar wees een eerdere ingangsdatum af omdat bijstand met terugwerkende kracht in principe niet mogelijk is, tenzij sprake is van zeer dringende redenen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellant stelde dat hij buiten zijn schuld te lang in Syrië verbleef en dat dit bijzondere omstandigheden opleverde.
De Raad oordeelt dat het college terecht geen bijstand met terugwerkende kracht verleende. Voor de periode tot 2 juni 2010 was al besluitvorming geweest en nieuwe feiten werden niet voldoende aangevoerd. Voor de periode van 3 tot en met 10 juni 2010 was appellant niet in staat zich eerder te melden, maar de omstandigheden voldeden niet aan het vereiste van zeer dringende redenen zoals bedoeld in artikel 16 WWB Pro. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit om geen bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen wordt bevestigd.