ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8538
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- M. Hillen
- A.M. Overbeeke
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering bijstandsaanvraag wegens onjuiste opgave verblijfsadres
Appellant diende op 28 april 2010 een aanvraag om bijstand in bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Het college wees de aanvraag op 3 juni 2010 af omdat appellant niet voldeed aan zijn inlichtingenverplichting volgens artikel 17 van Pro de WWB. Appellant had als verblijfsadres een postadres opgegeven, maar gaf niet aan dat hij daar niet feitelijk woonde.
Tijdens een onaangekondigd huisbezoek werd vastgesteld dat appellant niet op het opgegeven adres woonde. Ook tijdens telefonisch contact gaf appellant geen correcte informatie over zijn woonplaats. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat de woon- en leefsituatie essentieel is voor de beoordeling van het recht op bijstand en dat appellant niet de benodigde duidelijkheid had verschaft. Het enkele feit dat appellant een voorschot had ontvangen, veranderde hier niets aan. De aanvraag betrof een nieuwe aanvraag en niet een voortzetting van een eerdere bijstandsuitkering.
De Raad concludeerde dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting had geschonden, waardoor het college het recht op bijstand niet kon vaststellen. Daarom was de afwijzing van de aanvraag terecht en werd het hoger beroep afgewezen.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand is terecht afgewezen wegens het niet voldoen aan de inlichtingenverplichting over het feitelijke verblijfsadres.