ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8469
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verhoging WAO-uitkering wegens niet-toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant ontvangt sinds 2001 een WAO-uitkering, die in 2006 werd verlaagd na herbeoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid. In 2007 meldde appellant zich toegenomen arbeidsongeschikt en verzocht om verhoging van zijn uitkering op grond van artikel 39a van de WAO. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek concludeerde de verzekeringsarts dat de beperkingen niet waren toegenomen en dat de eerder vastgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) nog steeds van toepassing was.
Het UWV wees het verzoek tot verhoging af en verklaarde het bezwaar ongegrond, gesteund op een rapport van de bezwaarverzekeringsarts die het oordeel van de verzekeringsarts onderschreef. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond, waarbij werd overwogen dat er geen aanwijzingen waren voor een toename van beperkingen en dat de medische beoordeling zorgvuldig was uitgevoerd.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt en verwees naar medische brieven over een exacerbatie en chronisch pijnsyndroom. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze nieuwe gronden geen aanleiding gaven om te twijfelen aan de eerdere medische beoordelingen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af, waarmee de weigering tot verhoging van de WAO-uitkering definitief werd vastgesteld.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering tot verhoging van de WAO-uitkering wordt bevestigd.