ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7455
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.J.A. Kooijman
- J.F. Bandringa
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag WWIK-uitkering wegens onvoldoende aannemelijk gemaakt vermogenstekort
Appellante, een kunstenares met een eenmanszaak, diende een aanvraag in voor een WWIK-uitkering vanwege verminderde inkomsten. Zij beschikte over een stipendium van €32.000, waarvan een deel bestemd was voor beroepskosten. Het college wees de aanvraag af omdat zij over meer vermogen beschikte dan het vrij te laten bedrag van €5.455.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het stipendium niet als noodzakelijk beroepsvermogen kon worden aangemerkt en dat een vermeende schuld aan de moeder niet in aanmerking kon worden genomen omdat een terugbetalingsverplichting ontbrak. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij het stipendium had moeten investeren in haar eenmanszaak en dat de schuld wel degelijk bestond.
De Raad oordeelde dat de schuld niet als schuld kon worden meegenomen omdat geen daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling bestond. Verder had appellante onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij over minder vermogen beschikte dan de vermogensgrens, mede omdat zij geen specificatie gaf van beroepskosten die zij had betaald. De Raad verwierp het beroep en bevestigde het bestreden besluit.
Uitkomst: De aanvraag voor een WWIK-uitkering wordt afgewezen omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij over minder vermogen beschikte dan de vermogensgrens.