ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7116
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verzekering AOW en ingezetenschap bij werkzaamheden op Nederlands continentaal plat
Appellant is begin augustus 1994 vanuit Oman naar Nederland gekomen om te werken op een mijnbouwinstallatie op het Nederlandse deel van het continentale plat. Hij voerde aan dat hij vanaf die datum verzekerd moest zijn voor de AOW omdat hij onderworpen was aan loonbelasting in Nederland. De Sociale verzekeringsbank (Svb) achtte hem echter pas vanaf 4 augustus 1997 verzekerd, omdat hij vanaf die datum als ingezetene van Nederland werd beschouwd.
De Raad oordeelde dat het Nederlandse deel van het continentale plat geen onderdeel is van het Nederlandse grondgebied in de zin van de AOW, ook al geldt dat anders binnen het Unierecht voor EU-burgers. Appellant, met de Filippijnse nationaliteit en afkomstig uit Oman, viel niet onder het Unierecht. Tevens werd geoordeeld dat het onderscheid tussen EU- en niet-EU-burgers in dit verband gerechtvaardigd is.
Appellant stelde ook dat hij mocht vertrouwen op verzekering voor de AOW omdat hij kinderbijslag had ontvangen over een eerdere periode, maar de Raad wees dit af omdat de toekenning van kinderbijslag niet automatisch verzekeringsrecht voor de AOW impliceert.
Verder werd vastgesteld dat appellant niet eerder dan 4 augustus 1997 als ingezetene van Nederland kon worden aangemerkt, omdat hij geen duurzame persoonlijke band met Nederland had. Zijn gezin verbleef in de Filippijnen, hij had geen zelfstandige woonruimte en had een tijdelijk visum. Ook zijn sociale en economische bindingen waren onvoldoende om eerder ingezetenschap aan te nemen.
De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam en wees het beroep van appellant af.
Uitkomst: Appellant wordt pas vanaf 4 augustus 1997 als ingezetene van Nederland beschouwd en is vanaf die datum verzekerd voor de AOW.