ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6941
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- K. Zeilemaker
- B.J. van de Griend
- Rechtspraak.nl
Ontslag wegens impasse in arbeidsrelatie en toekenning aanvullende ontslagvergoeding
Appellant was sinds 2003 onderzoeker bij de AIVD en werd in 2005 geschorst na een veiligheidsincident waarbij geclassificeerde informatie in handen van een journalist kwam. Na een disciplinaire maatregel werd appellant overgeplaatst naar het kerndepartement, maar hij werd nooit daadwerkelijk geplaatst. Tussen 2006 en 2007 was appellant tijdelijk werkzaam bij de politieregio Zuid-Holland-Zuid, waarna hij terugkeerde naar de AIVD in afwachting van een passende functie.
De minister besloot appellant per 1 september 2010 te ontslaan op grond van artikel 99 van Pro het ARAR wegens een impasse in de arbeidsrelatie. Appellant betwistte dit en stelde dat de minister onvoldoende had gedaan om een passende functie te bieden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders.
De Raad stelde vast dat er ten tijde van het ontslag geen uitzicht meer was op vruchtbare samenwerking en dat de minister een aanzienlijk aandeel (51-65%) had in het ontstaan en voortduren van de impasse, onder meer doordat appellant nooit daadwerkelijk in een functie bij het kerndepartement werd geplaatst. Appellant droeg zelf ook verantwoordelijkheid vanwege het veiligheidsincident. De Raad vernietigde het besluit voor zover het ging om de uitkeringsregeling en legde een aanvullende ontslagvergoeding op, berekend op basis van dienstjaren en salariscomponenten, zonder aftrek van doorbetaald salaris tijdens niet-werkzaamheid. Tevens werden de proceskosten aan appellant toegewezen.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot betaling van een aanvullende ontslagvergoeding boven de minimumgarantie wegens een overwegend aandeel in de impasse.