ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6740
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling kwijtscheldingsverzoek en bezwaar tegen betalingsbrief Bbz-renteloze lening
Appellant ontving een Bbz-uitkering in de vorm van een renteloze lening vanwege zijn vermogen. Het college stelde de lening vast en legde een maandelijkse aflossingsverplichting op. Na diverse uitstelbesluiten hervatte het college de terugbetaling en stuurde een brief waarin dit werd medegedeeld. Appellant maakte bezwaar tegen deze brief, maar het college verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit in de zin van de Awb was.
Het bezwaar werd vervolgens behandeld als een verzoek om kwijtschelding van de lening. Dit verzoek werd afgewezen omdat het college op basis van een draagkrachtberekening oordeelde dat appellant voldoende betalingscapaciteit had. Appellant leverde onvoldoende bewijs om deze berekening te weerleggen en verwees onder meer naar zijn financiële lasten en gezondheidsproblemen.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen de besluiten ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraken. De Raad oordeelde dat de brief van 1 september 2010 slechts een informatieve mededeling was en dat het college terecht het verzoek om kwijtschelding had afgewezen. Ook het beroep op artikel 43, tweede lid, Bbz 2004, werd verworpen omdat deze niet op de situatie van appellant van toepassing was.
Het verzoek om vergoeding van schade werd eveneens afgewezen. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door E.C.R. Schut in aanwezigheid van griffier B. Rikhof.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om kwijtschelding en schadevergoeding wordt afgewezen.