ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6075

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 april 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12-1058 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 21 BeroepswetArt. 22, vijfde lid, Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na tegemoetkoming college en proceskostenveroordeling

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Breda. Tijdens de procedure heeft de Raad voor de Rechtspraak op 27 juni 2012 een tussenuitspraak gedaan waarbij het college werd opgedragen gebreken in het besluit te herstellen. Het college heeft op 13 september 2012 een nieuw besluit genomen dat volledig tegemoetkomt aan appellante.

Naar aanleiding hiervan heeft appellante het hoger beroep ingetrokken en verzocht om veroordeling van het college in de proceskosten. Het college heeft niet betwist dat aan appellante is tegemoetgekomen en heeft geen verweerschrift ingediend. De Raad heeft daarop het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het onderzoek gesloten.

De Raad heeft vervolgens het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante, begroot op een totaalbedrag van € 2.658,50, inclusief kosten voor bezwaar, beroep, hoger beroep en reiskosten. Deze uitspraak is gedaan op 2 april 2013 door voorzitter J.J.A. Kooijman.

Uitkomst: Het hoger beroep is ingetrokken vanwege tegemoetkoming en het college is veroordeeld in de proceskosten van appellante.

Uitspraak

12/1058 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 januari 2012, 11/4353 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B. ] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. D.P.F. Arens, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft op 27 juni 2012 een mondelinge tussenuitspraak gedaan waarin aan het college is opgedragen om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 30 juni 2011 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.
Het college heeft op 13 september 2012 een nieuw besluit op bezwaar genomen.
Bij fax-bericht van 9 oktober 2012 heeft mr. Arens namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Bij brief van 22 oktober 2012 heeft het college de Raad meegedeeld dat er geen verweerschrift ingediend wordt.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van Pro de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
De Raad stelt vast dat het hoger beroep is ingetrokken omdat het college bij besluit van
13 september 2012 geheel aan appellante is tegemoetgekomen en dat namens appellante een verzoek om veroordeling in de proceskosten is gedaan.
Nu het college niet heeft betwist dat aldus aan appellante is tegemoetgekomen, ziet de Raad aanleiding om het college te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 874,-- in bezwaar, € 874,-- in beroep en € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
De reiskosten die appellante heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting van de rechtbank Breda en de zitting van de Raad komen tot een bedrag van € 36,50 voor vergoeding in aanmerking.
Voorts merkt de Raad op dat uit het bepaalde in artikel 22, vijfde lid, van de Beroepswet volgt dat appellante zich rechtstreeks tot het college kan wenden met een verzoek om vergoeding van het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.658,50, waarvan € 2.622,-- te betalen aan de griffier van de Raad.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van C. Tersteeg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2013.
(getekend) J.J.A. Kooijman
(getekend) C. Tersteeg
NK