ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5367
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing studiefinancieringsaanvraag wegens niet voldoen aan nationaliteitseis
Appellant, die rechtmatig in Nederland verbleef op grond van artikel 8, onder g, van de Vreemdelingenwet 2000, vroeg studiefinanciering aan. De Minister wees de aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan de nationaliteitseis van de Wet studiefinanciering 2000. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en wees ook zijn beroep op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het EVRM en de Universele Verklaring van de rechten van de Mens af.
In hoger beroep stelde appellant dat hij gelijkgesteld moest worden met een Nederlander vanwege zijn langdurig rechtmatig verblijf en dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom het beroep op het EVRM en de UVRM was afgewezen. De Raad overwoog dat appellant niet aan de nationaliteitseis voldoet omdat hij nooit studiefinanciering heeft genoten, een vereiste voor gelijkstelling volgens het Besluit studiefinanciering 2000.
Verder wees de Raad het beroep op het Handvest af omdat dit niet van toepassing is zonder uitvoering van Unierecht. Het beroep op het UVRM behoeft geen inhoudelijke bespreking wegens het ontbreken van directe werking. Het beroep op het EVRM werd afgewezen omdat studiefinanciering binnen het beoordelingsvrijheid van de overheid valt, waarbij het legale karakter van het verblijf van appellant onvoldoende aanleiding geeft tot een andere beoordeling.
De Raad concludeert dat er geen positieve verplichting bestaat voor de Minister om studiefinanciering toe te kennen aan appellant en bevestigt de eerdere uitspraak. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de studiefinancieringsaanvraag wegens niet voldoen aan de nationaliteitseis.