ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3747
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht zonder dringende redenen
In deze zaak stond de terugvordering van ten onrechte of teveel betaalde bijstand centraal, nadat appellanten de inlichtingenplicht hadden geschonden door het niet melden van een woning op Aruba. De Raad verwees naar de Beleidsregels terug- en invordering Wet werk en bijstand (2006), die terugvordering voorschrijven bij schending van de inlichtingenplicht, tenzij er dringende redenen zijn.
De Raad oordeelde dat appellanten niet aannemelijk hadden gemaakt dat er sprake was van dergelijke dringende redenen of bijzondere individuele omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen. Ook het beroep op de hardheidsclausule werd verworpen. De eerdere tussenuitspraak werd bevestigd, waarbij het college bevoegd was tot terugvordering van de bijstandskosten over de periode van 23 juli 2008 tot en met 28 januari 2009.
Het college werd veroordeeld in de proceskosten van appellanten en moest het betaalde griffierecht vergoeden. Het beroep tegen het besluit van 27 juli 2012, aangevuld bij besluit van 29 november 2012, werd ongegrond verklaard, terwijl het beroep tegen het besluit van 14 augustus 2009 werd gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.
De uitspraak bevestigt het belang van het naleven van de inlichtingenplicht bij het ontvangen van bijstand en benadrukt dat terugvordering alleen kan worden beperkt bij zeer bijzondere omstandigheden.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot terugvordering van bijstand wordt ongegrond verklaard en het college wordt veroordeeld in proceskosten.