ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3494

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12-5478 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 Wubo
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vergoeding fysiotherapie wegens ontbreken oorzakelijk verband met oorlogsinvaliditeit

Appellant, erkend als burger-oorlogsslachtoffer op grond van blijvende psychische invaliditeit, verzocht om vergoeding voor fysiotherapie. Deze aanvraag werd door de Sociale verzekeringsbank afgewezen omdat de fysiotherapie was voorgeschreven vanwege degeneratieve aandoeningen zoals arthrose, die niet in verband staan met de oorlogservaringen van appellant.

De Raad baseerde zich op medische adviezen en eerdere beoordelingen waarin gewrichts- en evenwichtsstoornissen als niet oorzakelijk verbonden met de oorlogsinvaliditeit werden aangemerkt. Appellant bracht geen nieuwe gegevens aan die tot een ander oordeel konden leiden.

De Raad concludeerde dat op grond van artikel 32 van Pro de Wubo alleen kosten vergoed kunnen worden die noodzakelijk zijn vanwege de oorlogsinvaliditeit. Omdat dit verband ontbrak, werd het beroep ongegrond verklaard. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van vergoeding voor fysiotherapie wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

12/5478 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
Datum uitspraak 7 maart 2013.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 19 september 2012, kenmerk BZ01499989 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2013. Daar is appellant niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.
OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant is geboren in 1936 in het toenmalige Nederlands-Indië. Naar aanleiding van de aanvraag van juli 2009 is hij door verweerder op grond van blijvende psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo. Daarbij is ook het standpunt ingenomen dat de gewrichtsklachten, voetklachten, evenwichtsstoornissen en neurologische klachten niet in verband kunnen worden gebracht met de oorlogservaringen van appellant.
1.2. In mei 2012 heeft appellant bij verweerder een aanvraag ingediend voor een vergoeding voor fysiotherapie. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 5 juni 2012. Deze afwijzing is na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Daartoe is overwogen dat appellant op grond van psychische invaliditeit niet is aangewezen op deze voorzieningen.
2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.
2.1. Op grond van artikel 32 van Pro de Wubo komen voor vergoeding in aanmerking - kort weergegeven - de extra ten laste van het burger-oorlogsslachtoffer blijvende kosten van medische voorzieningen die noodzakelijk zijn in verband met zijn oorlogsinvaliditeit.
2.2. Op grond van de voorhanden zijnde medische gegevens en de door appellant zelf ingediende aanvraag is het voor de Raad voldoende duidelijk dat appellant niet vanwege zijn oorlogsinvaliditeit is aangewezen op fysiotherapie. Zo heeft een tweetal geneeskundig adviseurs op grond van informatie van de huisarts dr. E.J.W. Maarsingh geconcludeerd dat de therapie is voorgeschreven vanwege arthrose van de heupen en de knieën. Appellant heeft bij zijn aanvraag aangegeven dat de voorziening voor fysiotherapie nodig is in verband met loophulp en evenwichtsstoornissen. De gewrichtsklachten zijn naar aanleiding van de onder 1.1 genoemde aanvraag van 2009 al geduid als een degeneratieve aandoening ter zake waarvan een verband ontbreekt met de oorlogservaringen van appellant. Een dergelijk verband werd destijds ook niet aanvaard voor de evenwichtstoornissen. Gegevens die nu tot een ander standpunt zouden moet leiden zijn door appellant niet ingebracht. Onder deze omstandigheden biedt artikel 32 van Pro de Wubo geen mogelijkheid om de gevraagde vergoeding toe te kennen.
2.3. Het voorgaande brengt mee dat het bestreden besluit in rechte stand houdt en het beroep ongegrond moet worden verklaard.
3. De Raad ziet tot slot geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2013.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) E. Heemsbergen
HD