ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3327

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-4149 INBURG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet inburgering (Wi)Wet inburgering nieuwkomers (Win)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij inburgeringsplicht

Appellante, afkomstig uit Marokko, heeft in 2003 deelgenomen aan een inburgeringscursus en in 2005 een certificaat ontvangen. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam stelde haar in 2010 verplicht het inburgeringsexamen te behalen vóór augustus 2013. Appellante maakte bezwaar tegen deze verplichting, dat werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde haar beroep eveneens ongegrond.

In hoger beroep voerde appellante aan dat zij al was ingeburgerd en dat de nieuwe verplichting in strijd was met rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel. Zij stelde dat de verplichting belastend was. Op 14 januari 2013 meldde zij dat zij inmiddels het inburgeringsexamen had behaald en haar diploma had ontvangen op 11 oktober 2012.

De Raad overwoog dat procesbelang ontbreekt wanneer het nagestreefde resultaat niet meer kan worden bereikt of geen feitelijke betekenis meer heeft. Aangezien appellante het examen had behaald, was er geen procesbelang meer. Ook een mogelijk financieel belang werd niet aannemelijk gemaakt, mede omdat het college de kosten van cursus en examen vergoedt.

Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk en zag af van een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 6 maart 2013.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang omdat appellante inmiddels het inburgeringsexamen heeft behaald.

Uitspraak

11/4149 INBURG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juni 2011, 10/2533 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak 6 maart 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.Goettsch, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2013. Appellante en haar gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen, Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellante is in 2003 vanuit Marokko naar Nederland gekomen. Zij heeft aan de inburgeringcursus op grond van de Wet inburgering nieuwkomers (Win) deelgenomen en heeft als bewijs daarvan op 16 december 2005 een certificaat gekregen.
1.2. Het college heeft appellante bij besluit van 19 februari 2010 meegedeeld dat zij op grond van de Wet inburgering (Wi) inburgeringplichtig is en dat zij vóór 19 augustus 2013 het inburgeringexamen of een ander examen dat vrijstelt van de inburgeringplicht moet hebben gehaald. Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Het college heeft bij besluit van 29 april 2010 het bezwaar ongegrond verklaard. Daartegen heeft appellante beroep ingesteld.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij onder meer overwogen dat de wetgever met de invoering van de Wi heeft beoogd dat nieuwkomers zoals appellante die onder de Win een inburgeringscursus hebben gevolgd, maar daarbij niet een bepaald resultaat hebben behaald, alsnog een inburgeringsexamen dienen te behalen.
3. Appellante heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd - kort weergegeven - dat zij al een keer is ingeburgerd en dat het in strijd met de rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel is dat zij nu opnieuw daartoe wordt verplicht. Gelet op haar omstandigheden vindt appellante de verplichting om opnieuw in te burgeren ook belastend. In een brief van 14 januari 2013 heeft appellante de Raad op de hoogte gesteld van het feit dat zij alsnog heeft deelgenomen aan een inburgeringtraject en inmiddels voor haar examen is geslaagd. Op 11 oktober 2012 heeft zij haar diploma gekregen.
4.1. De Raad ziet zich als gevolg van het feit dat appellante inmiddels (tijdig) het inburgeringexamen heeft gehaald, gesteld voor de vraag of zij voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak. Uit vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraken van 31 augustus 2006, LJN AY8271 en 9 juni 2009,
LJN BJ0878, vloeit voort dat eerst sprake is van (voldoende) processueel belang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of (hoger) beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor die indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.
4.2. Appellante heeft in haar brief van 14 januari 2013 te kennen gegeven belang te hebben bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak, omdat het inburgeringtraject haar geld, tijd en moeite heeft gekost. Appellante heeft hierover echter verder niets gesteld.
4.3. Voor zover appellante bedoeld heeft te stellen dat zij schade heeft geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming, mag een dergelijke stelling niet op voorhand onaannemelijk zijn. Nu op geen enkele wijze nader is onderbouwd dat er kosten zijn gemaakt en dat er schade is geleden, is niet aan dat vereiste voldaan. Overigens blijkt uit het besluit van 19 februari 2010 dat het college de kosten van de inburgeringcursus en het examen vergoedt, wat ook door de gemachtigde van het college ter zitting is bevestigd.
5. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard moet worden.
6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert als voorzitter en A.J. Schaap en M.I. ’t Hooft als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkes als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2013.
(getekend) G.M.T. Berkel-Kikkert
(getekend) A.C. Oomkens
sg