ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2301

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11/6056 WIJ +12/6109 WIJ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens volledige tegemoetkoming bezwaren appellante

De Centrale Raad van Beroep behandelde het hoger beroep van appellante tegen het college van burgemeester en wethouders van Schiedam inzake een besluit op bezwaar over een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren.

Na een eerdere tussenuitspraak waarin het bezwaar van appellante ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard, heeft het college een nieuw besluit genomen waarin het bezwaar alsnog gegrond werd verklaard. Dit leidde tot een verhoging van de inkomensvoorziening met een toeslag van 20% van de gehuwdennorm over de periode van 8 augustus 2010 tot 1 september 2011, en een vergoeding van gemaakte kosten van € 874.

Omdat het college met dit nieuwe besluit volledig tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellante, heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tevens is het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante in zowel de eerste aanleg als het hoger beroep. De zaak is daarmee definitief afgedaan.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat het college volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.

Uitspraak

11/6056 WIJ, 12/6109 WIJ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 september 2011, 11/1515 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (college)
Datum uitspraak 12 februari 2013.
PROCESVERLOOP
Voor het procesverloop verwijst de Raad eerst naar zijn tussenuitspraak van 7 augustus 2012, LJN BX5526 (tussenuitspraak).
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college op 10 december 2012 een nieuw besluit op bezwaar (het nieuwe besluit) genomen. Namens appellante heeft mr. J. Berkouwer, advocaat, bij brief van 19 december 2012 haar zienswijze gegeven over het nieuwe besluit.
De Raad heeft met toepassing van artikel 8:57, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. De Raad heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer en het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
1.1. De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak voor de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming. Hieraan voegt de Raad het volgende toe.
1.2. In de tussenuitspraak heeft de Raad geoordeeld dat het bezwaar van appellante ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college alsnog een inhoudelijk oordeel gegeven over de bezwaren van appellante. Aanvankelijk heeft het college bij een nieuw besluit op bezwaar van 5 november 2012 het bezwaar ongegrond verklaard. Namens appellante heeft mr. Berkouwer bij brief van
13 november 2012 haar zienswijze op dit besluit gegeven. De Raad heeft aan partijen meegedeeld dat het besluit van 5 november 2012 in de beoordeling zal worden betrokken en heeft aan dit besluit het registratienummer 12/6109 toegekend.
1.3. Nadien heeft het college een nieuw standpunt ingenomen en het besluit van 5 november 2012 ingetrokken. Bij het nieuwe besluit heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 22 september 2010 alsnog gegrond verklaard. Dit betekent dat het bedrag van de aan appellante toegekende inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren over de periode van 8 augustus 2010 tot 1 september 2011 wordt verhoogd met een toeslag van 20% van de gehuwdennorm. Voor de door appellante gemaakte kosten in bezwaar kent het college een vergoeding van € 874,-- toe. Bij brief van 19 december 2012 heeft mr. Berkouwer meegedeeld dat hiermee tegemoet gekomen is aan de bezwaren zodat de zaak afgehandeld kan worden, mits de proceskosten worden vergoed.
2. Vastgesteld kan worden dat, nu het college met het besluit van 10 december 2012 volledig aan de bezwaren van appellante tegemoet is gekomen, zij geen belang meer heeft bij een oordeel in hoger beroep in deze zaak. Derhalve dient het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
3. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 944,-- (2 punten) in beroep voor verleende rechtsbijstand en € 11,80 voor de reiskosten in beroep, in totaal € 955,80, te betalen aan appellante. Voorts € 1.416,-- (3 punten, waarvan 1 voor het beroepschrift, 1 voor de zitting en 2x een halve punt voor de nadere zienswijzen) voor de verleende rechtsbijstand in hoger beroep, te betalen aan de griffier van de Raad.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
-veroordeelt het college in de proceskosten van appellante in beroep tot een bedrag van € 955,80, te betalen aan appellante, en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.416,--, te betalen aan de griffier van de Raad;
-bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van M. Zwart als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2013.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) M. Zwart
ew