ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2082
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om hem per 29 maart 2010 in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering, omdat hij volgens het UWV minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De rechtbank Leeuwarden verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen van appellant niet waren onderschat.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen wel degelijk waren onderschat, onderbouwd met medische stukken over degeneratieve afwijkingen, fibromyalgie en reumatische ontstekingen. De Raad benoemde een deskundige die een aanvullend onderzoek verrichtte en concludeerde dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) ruimhartig was toegekend en dat er onvoldoende grond was voor uitbreiding van beperkingen.
De Raad oordeelde dat het deskundigenrapport zorgvuldig, inzichtelijk en consistent was en dat de bezwaren van appellant tegen het onderzoek niet tot afwijking van het oordeel konden leiden. De medische grondslag van het bestreden besluit werd bevestigd, evenals de passendheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.