ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2082

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-2943 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om hem per 29 maart 2010 in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering, omdat hij volgens het UWV minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De rechtbank Leeuwarden verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen van appellant niet waren onderschat.

In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen wel degelijk waren onderschat, onderbouwd met medische stukken over degeneratieve afwijkingen, fibromyalgie en reumatische ontstekingen. De Raad benoemde een deskundige die een aanvullend onderzoek verrichtte en concludeerde dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) ruimhartig was toegekend en dat er onvoldoende grond was voor uitbreiding van beperkingen.

De Raad oordeelde dat het deskundigenrapport zorgvuldig, inzichtelijk en consistent was en dat de bezwaren van appellant tegen het onderzoek niet tot afwijking van het oordeel konden leiden. De medische grondslag van het bestreden besluit werd bevestigd, evenals de passendheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

11/2943 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 7 april 2011, 10/1942 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 22 februari 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J. Nijenhuis, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2012. Appellant was verschenen, bijgestaan door mr. Nijenhuis. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. D. de Jong.
De Raad heeft het onderzoek heropend en rheumatoloog dr. G.H.C. Schardijn als deskundige benoemd. Hij heeft zijn rapportage van 30 november 2012 naar de Raad toegezonden.
Vervolgens heeft de gemachtigde van appellant en appellant zelf op de rapportage van Schardijn gereageerd. Ook het Uwv heeft een reactie gegeven.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 1 maart 2010 heeft het Uwv geweigerd appellant per 29 maart 2010 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat hij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is geacht.
1.2. Bij besluit van 3 augustus 2010 is het bezwaar tegen het besluit van 1 maart 2010 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Hiertoe is - kort samengevat - overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht en dat de beperkingen van appellant, zoals weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) niet zijn onderschat. Daarnaast is appellant in staat de aan de schatting ten grondslag liggende functies te verrichten.
3.1. Appellant heeft zich niet met de aangevallen uitspraak kunnen verenigen. In hoger beroep heeft hij naar voren gebracht dat zijn beperkingen wel degelijk zijn onderschat. Er zijn verschillende objectieve, medische stukken waaruit blijkt dat hij degeneratieve afwijkingen heeft die gepaard gaan met fibromyalgie en reumatische ontstekingen. Het medisch onderzoek is te oppervlakkig geweest. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij diverse medische stukken overlegd.
3.2. De Raad heeft aanleiding gezien de in rubriek I vermelde deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek.
3.3. De deskundige heeft in zijn rapport de door hem afgenomen anamnese, de situatie van appellant ten tijde van de datum in geding en de relevante medische gegevens uit het dossier beschreven. Op basis hiervan en op basis van zijn eigen onderzoek heeft de deskundige vastgesteld dat er bij appellant sprake is van een polyarthrose en sinds maart 2010 een sensibel carpale tunnelsyndroom. Een actieve reumatische ziekte of de ziekte van Lyme zijn zo goed als uitgesloten. Op grond van het onderzoek en de beschikbare gegevens is de deskundige van mening dat de FML ruimhartig is toegekend. Hij vindt onvoldoende argumenten voor verdere uitbreiding van de beperkingen.
4.1. De Raad wijst er in de eerste plaats op dat als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter de conclusies van een door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het rapport van de deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent.
4.2.1. In de in rubriek I van deze uitspraak vermelde reacties van de gemachtigde van appellant en appellant zelf ziet de Raad geen aanleiding de conclusies van de deskundige niet te volgen. De Raad maakt uit de reacties op dat de grieven tegen het onderzoek van de deskundige zijn dat hij arrogant en nauwelijks geïnteresseerd overkwam, dat hij niet het dossier bestudeerd zou hebben en alleen metingen aan de buitenkant heeft verricht.
4.2.2. De Raad is van oordeel dat het onderzoek en de rapportage voldoen aan de eisen die de Raad daaraan stelt. De deskundige heeft bovendien de medische gegevens van de behandelaars van appellant bestudeerd. De mening van appellant dat het onderzoek niet zorgvuldig is verricht, wordt niet gevolgd.
4.3. Het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit wordt dus gevolgd.
5. Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de rechtbank eveneens terecht overwogen dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies - in medisch opzicht - passend zijn.
6. Uit hetgeen is overwogen in 3.3 tot en met 5 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2013.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) K.E. Haan