ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1918
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Weigering erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en WUBO-uitkering
Appellant, geboren in 1930, verzocht in april 2010 om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en toekenning van een WUBO-uitkering. Hij stelde dat hij tijdens de oorlog evacuaties, bombardementen en beschietingen had meegemaakt in Amersfoort, Bremen en Groningen. Verweerder wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld.
De Raad overwoog dat voor erkenning onder de WUBO vereist is dat de aanvrager direct betrokken is geweest bij oorlogsgeweld, zoals lichamelijk of psychisch letsel door krijgsverrichtingen of vijandelijke maatregelen. De vlucht uit Amersfoort was een zelfgekozen evacuatie uit voorzorg, geen levensbedreigende situatie. Bombardementen en beschietingen waren niet zodanig dichtbij dat appellant direct werd getroffen; hij verbleef bijvoorbeeld in een bunker tijdens bombardementen in Bremen.
Appellant maakte geen melding van verwondingen of directe confrontatie met letsel of overlijden van naasten. De Raad concludeerde dat de WUBO een beperkte strekking heeft en dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor erkenning. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld.