ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1799
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WW-uitkering wegens verblijf buiten Nederland anders dan vakantie
Appellante ontving vanaf 3 januari 2011 een WW-uitkering. Na haar mededeling dat zij per 9 januari 2011 voor geruime tijd naar Ankara (Turkije) zou vertrekken, beëindigde het UWV de uitkering met ingang van 10 januari 2011. Appellante stelde dat vanwege haar leeftijd en fysieke beperkingen haar kansen op werk in Nederland gering waren en dat zij in Turkije een talencursus volgde om bij terugkeer beter werk te vinden.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond en stelde vast dat zij vanaf 9 januari 2011 niet meer in Nederland woonde, waardoor het recht op WW-uitkering op grond van de artikelen 19 en 20 van de WW eindigde. De rechtbank zag geen aanleiding voor een afwijking van deze dwingendrechtelijke bepalingen.
In hoger beroep herhaalde appellante haar verzoek om een belangenafweging en flexibele toepassing van de regelgeving. De Centrale Raad van Beroep bevestigde echter het oordeel van de rechtbank dat de wettelijke bepalingen geen ruimte bieden voor een belangenafweging of flexibele toepassing, en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De WW-uitkering van appellante wordt beëindigd met ingang van 10 januari 2011 wegens verblijf buiten Nederland anders dan wegens vakantie.