Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1735

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11/4381 WWB + 11/4382 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 11 WWBArt. 16 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging bijstand wegens niet-gelijkstelling met Nederlander bevestigd ondanks beroep op EVRM artikel 8

Appellant heeft bijstand ontvangen op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), maar het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam beëindigde deze bijstand omdat appellant niet langer met een Nederlander kan worden gelijkgesteld. Dit besluit werd bevestigd na bezwaar en afwijzing van een nieuwe aanvraag.

Appellant voerde aan dat hij een kwetsbare burger is en dat de Staat op grond van artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) verplicht is hem te helpen. De Raad overwoog dat appellant geen vreemdeling was in de zin van artikel 11 WWB Pro, waardoor artikel 16 WWB Pro van toepassing is, dat bijstand aan bepaalde vreemdelingen zelfs bij zeer dringende redenen uitsluit.

De Raad verwees naar jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens over de bescherming van kwetsbare personen, maar benadrukte dat de WWB een beperkte doelstelling heeft en dat de wetgever expliciet vreemdelingen buiten de hardheidsclausule heeft geplaatst. Een positieve verplichting op grond van artikel 8 EVRM Pro kan niet via de WWB worden ingevuld, maar ligt bij andere bestuursorganen.

Daarom blijft de beëindiging van de bijstand in stand en wordt het hoger beroep ongegrond verklaard. Ook is geen grond voor schadevergoeding of proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 20 februari 2013.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van bijstand omdat appellant niet langer met een Nederlander kan worden gelijkgesteld en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

11/4381 WWB, 11/4382 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 juli 2011, 11/2085 en 11/2568 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 20 februari 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nr. 11/4384, plaatsgevonden op 9 januari 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W.G. Fischer, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.G. Veldstra en mr. A.C. van Helvoort. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 19 november 2010 (besluit 1) heeft het college de aan appellant toegekende bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van 1 december 2010 beëindigd op de grond dat appellant niet (langer) met een Nederlander kan worden gelijkgesteld. Hierbij heeft het college overwogen dat uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 augustus 2010 (201000449/1/V3) blijkt dat het beroep van appellant tegen de afwijzing op de aanvraag om verlenging van zijn verblijfsvergunning, ongegrond is verklaard.
1.2. Bij besluit van 14 maart 2011 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar van appellant tegen besluit 1 ongegrond verklaard.
1.3. Bij besluit van 1 februari 2011 (besluit 2) heeft het college de aanvraag om bijstand van appellant van 17 december 2010 afgewezen op de grond dat niet is gebleken dat appellant na besluit 1 nu wel recht op bijstand zou hebben.
1.4. Bij besluit van 13 april 2011 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen de beide bestreden besluiten ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat hij een kwetsbare burger is. Op grond daarvan stelt hij dat de Staat in het licht van artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verplicht is hem te helpen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Niet in geschil is dat appellant zowel ten tijde van de beëindiging van de bijstand bij besluit 1 als gedurende de periode van de aanvraag om bijstand tot en met de afwijzing hiervan bij besluit 2 geen vreemdeling was in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Als gevolg hiervan valt appellant onder artikel 16, tweede lid, van de WWB, en kan aan hem zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB geen bijstand worden verleend.
4.2. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 22 november 2011, LJN BU6844) merkt het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid als “the very essence” van het EVRM aan. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Indien sprake is van omstandigheden die tot gevolg hebben dat de normale ontwikkeling van het privé- en gezinsleven onmogelijk wordt gemaakt, kan sprake zijn van een zodanige aantasting van de “very essence” van artikel 8 van Pro het EVRM dat een positieve verplichting op de Staat rust de situatie in overeenstemming te brengen met de in artikel 8 van Pro het EVRM opgenomen waarborg. Vergelijk het arrest van het EHRM van 3 mei 2001, Domenech Pardo versus Spanje, nr. 55996/00. Daarbij is wel van belang dat bij de besteding van publieke middelen aan de Staat een extra ruime “margin of appreciation” toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkenen. Vergelijk in verband met dat laatste het arrest van het EHRM van 27 mei 2008, N. versus het Verenigd Koninkrijk, nr. 26565/05.
4.3. Indien sprake is van een positieve verplichting als bedoeld in 4.2, dient niettemin de beperkte doelstelling van de WWB in acht te worden genomen. De wetgever heeft de categorieën vreemdelingen die door de werking van artikel 11 van Pro de WWB geen recht op bijstand hebben, met het bepaalde in artikel 16, tweede lid, van de WWB, uitdrukkelijk ook buiten het bereik van de in artikel 16, eerste lid, van de WWB opgenomen hardheidsclausule gebracht. Gelet op het primaat van de wetgever, en om een door de wetgever ongewenste doorkruising van het vreemdelingenbeleid te voorkomen, kan een positieve verplichting ten aanzien van vreemdelingen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WWB niet met toepassing van de WWB gestalte worden gegeven. Indien ten aanzien van deze vreemdelingen een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 8 van Pro het EVRM, rust deze op het bestuursorgaan dat belast is, of de bestuursorganen die belast zijn, met de uitvoering van wettelijk geregelde voorzieningen voor vreemdelingen. Daarom kan de vraag of appellant is aan te merken als een kwetsbare persoon die op grond van artikel 8 van Pro het EVRM bijzondere bescherming geniet, in het kader van de WWB in het midden blijven.
4.4. Uit hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor toekenning van schadevergoeding bestaat geen grond en voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2013.
(getekend) H.J. de Mooij
(getekend) R. Scheffer