ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1548

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-4468 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens ontbreken procesbelang bij bijzondere bijstand legeskosten huisvestingsvergunning

Appellant heeft bijzondere bijstand gevraagd voor de legeskosten van een huisvestingsvergunning, welke aanvraag door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam is afgewezen. Het bezwaar tegen dit besluit werd ongegrond verklaard door het college. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond.

Appellant stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. Tijdens de procedure heeft het college toegezegd het bedrag van € 34,- alsnog aan appellant te betalen. Appellant bevestigde dat hij dit bedrag heeft ontvangen en gaf aan dat de zaak daarom niet verder behandeld hoeft te worden.

De Raad oordeelde dat het belang van appellant bij een beoordeling van het bestreden besluit in hoger beroep is komen te vervallen. Omdat appellant geen schade heeft gesteld of aannemelijk heeft gemaakt en geen verzoek om proceskostenvergoeding tijdig heeft ingediend, is er geen procesbelang aanwezig. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en werd het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang na betaling van de legeskosten door het college.

Uitspraak

11/4468 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 november 2010, 10/3265 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak 19 februari 2013.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2012. Appellant is daar, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het college heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.M. Boegborn.
De Raad heeft het onderzoek heropend en bepaald dat appellant alsnog in de gelegenheid wordt gesteld het beroepschrift te ondertekenen. Appellant heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.
Vervolgens is de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.
OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1. Appellant heeft op 18 september 2009 bijzondere bijstand gevraagd voor de legeskosten van een huisvestingsvergunning, waarvoor hem een bedrag van € 34,-- in rekening is gebracht.
1.2. Bij besluit van 1 maart 2010 heeft het college die aanvraag afgewezen.
1.3. Bij besluit van 28 april 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 1 maart 2010 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit on0gegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ter zitting van de Raad is namens het college toegezegd dat het bedrag van € 34,-- voor de kosten van een huisvestingsvergunning alsnog aan appellant zal worden betaald. Bij brief van 8 november 2012 heeft appellant onder meer meegedeeld dat hij dit bedrag reeds heeft ontvangen en dat deze zaak daarom niet nader behandeld behoeft te worden.
4.2. Appellant heeft het hoger beroep niet ingetrokken. Nu het college in hoger beroep echter alsnog geheel aan appellant is tegemoetgekomen, is het belang van appellant bij een beoordeling van het bestreden besluit in hoger beroep in beginsel komen te vervallen. In aanmerking genomen dat appellant niet heeft gesteld of op een andere wijze aannemelijk is dat hij schade heeft geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming, is ook anderszins geen procesbelang aanwezig. Evenmin is gebleken dat appellant tijdig, tegelijk met het indienen van het bezwaar, heeft verzocht om de in verband met het bezwaar gemaakte proceskosten te vergoeden.
4.3. Het hoger beroep moet dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding, nu niet is gebleken van op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komende kosten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2013.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) R. Scheffer
HD